Een van mijn oudste en meest dierbare vrienden
In Memoriam Rob Witt (1950-2022)
door
Op 22 september overleed op 71-jarige leeftijd onze clubgenoot Rob Witt na een niet heel lang, maar wel zeer onplezierig ziekbed. Twee maanden eerder was zijn vrouw, Marga, al overleden. Ze waren ruim 50 jaar samen, om precies te zijn sinds de dag dat Ajax de Europacup won tegen Panathinaikos: 2 juni 1971. Rob keek naar die wedstrijd in sociëteit H88 en na afloop stond hij aan de bar naast een mooi meisje. Hij bood haar een handvol pinda’s aan en sindsdien waren ze onafscheidelijk. “Dat was mijn beste investering ooit” voegde Rob eraan toe, toen hij me dit verhaal vertelde na het overlijden van Marga.

Maar Rob enkel “onze clubgenoot” noemen doet hem tekort, want toen hij nog in de kracht van zijn leven was, lang voordat hij bij Caissa terechtkwam, was hij een van de beste Nederlandse schakers van zijn generatie (als we de één jaar jongere Jan Timman als hors concours even buiten beschouwing laten). In 1970 won hij het Nederlands Jeugdkampioenschap en in de jaren daarna groeide hij door naar wat we toen “een sterke hoofdklasser” noemden, iemand die op voet van bijna-gelijkheid tegen het meestergilde speelde. Deze informele kwalificatie was voor de meesten – ook de zeer talentvollen – in feite het hoogst haalbare, want de meestertitel was in die tijd, waarin je hoogstens één of twee keer per jaar een theoretische kans kreeg, vrijwel voor niemand weggelegd.

Rob wist zich twee keer te plaatsen voor het Nederlands kampioenschap, in 1976 en 1982, en eindigde beide keren op een niet spectaculaire, maar zeker verdienstelijke tiende plaats. Oók in 1976 won hij (samen met mij) een van de Reservegroepen van het Hoogovenstoernooi, wat ons allebei een uitnodiging opleverde voor de Meestergroep van 1977, waarin hij het opnieuw goed, maar niet té goed deed. Achteraf denk ik dat zijn respect voor de grote namen hem in de weg zat. Hij was te aardig om zijn tegenstanders echt pijn te willen doen, altijd geweest en altijd gebleven.

Die zachtmoedigheid belette hem niet om in 1981 nog eens flink uit te halen in het open toernooi te Baden-Baden, waar hij een sterk contingent Nederlandse deelnemers (o.a. Van der Wiel, Hartoch, Böhm en Van Baarle) wist af te troeven en – ook hier gebroederlijk samen met mij – een uitnodiging voor het Grootmeestertoernooi van het volgend jaar binnensleepte. Door organisatorische perikelen werd dit uiteindelijk 1985, maar dat werd dan ook een heel mooi toernooi van 13 ronden met een aantal zeer sterke deelnemers. Winnaar werd de Tsjech Jan Smejkal, die de grote favoriet Efim Geller een half puntje voorbleef. Rob reikte met 5 uit 13 tot de tiende plaats, wat voor “een sterke hoofdklasser” een uitstekend resultaat was.

In de clubcompetitie was Rob decennialang een steunpilaar van Watergraafsmeer, eerst in de (gesponsorde) Desisco-tijd, die duurde van begin jaren zeventig tot halverwege de jaren tachtig, daarna weer ‘gewoon’ als Watergraafsmeer, totdat deze roemruchte club ten slotte via een paar fusies opging in Caissa.

Maar bovenal was Rob voor mij een van mijn oudste en meest dierbare vrienden. Midden jaren zeventig, toen ik, vrij en en onverveerd maar eenzaam, in Amsterdam op een zolder woonde, vond ik in het warme, gastvrije huis van Rob en Marga mijn huiskamer. Jarenlang stonden hun deuren voor mij en vele anderen open. Hun huis werd, misschien nog wel meer dan het officïele clublokaal, het eigenlijke hart van de schaakclub Watergraafsmeer. Wij schaakten, analyseerden, praatten en aten, dronken en genoten van onze jeugd. Kortom, het was een heerlijke tijd waarvoor ik Rob en Marga altijd intens dankbaar ben gebleven.

Na 1980 werd ons contact wat minder intensief. Werk en kinderen voor Rob en een altijd om aandacht schreeuwend openingenrepertoire voor mij betekenden het einde van wat je onze studententijd zou kunnen noemen. Maar we troffen elkaar nog geregeld en het was zeker geen toeval dat ik in 2010, zeven jaar nadat ik mijn profcarrière had beëindigd, bij Rob aanklopte met de vraag of Caissa een leuke club voor mij zou zijn. Blijkbaar verlangde ik onbewust terug naar die Watergraafsmeertijd van vroeger en stond Rob voor die tijd symbool.

Het deed pijn om – van een afstandje – de fysieke neergang van mijn oude vriend te volgen in de pakweg zes maanden die achter ons liggen. Op het laatst leek hij er niet veel zin meer in te hebben en het is misschien maar goed dat het einde uiteindelijk toch nog vrij snel kwam. Maar je laat een leegte achter, Rob, en ook jij, Marga. Een leegte in mijn hart.

 

 

 

Van blunder tot hoofdvariant
Een korte beschouwing over dood en wedergeboorte van 7...a6
door
Openingstheorie is altijd in beweging. En niet zo’n beetje ook. Wat vandaag goed is kan morgen verouderd zijn. Wat vandaag wordt afgekeurd kan morgen de grote mode zijn. Iedere schaker weet het en toch worden we er telkens opnieuw door verrast. Voorbeelden hoef ik eigenlijk niet te geven, want iedereen die zich een beetje met openingen bezighoudt kent zulke aardverschuivingen. Nieuwe varianten tegen de opening die je al jaren speelt, waardoor de kennis die je had in één klap overbodig wordt. Nieuwe openingen waartegen je van de grond af een nieuw repertoire moet zien op te bouwen.

Ik noem er toch een paar. Wie zou nog maar enkele jaren geleden de variant 2.Pc3 d6 3.d4 cxd4 4.Dxd4 Pc6 5.Dd2 tegen het Siciliaans niet als een dronkemansopening gezien hebben?

En wie zag tien jaar geleden aankomen dat na 1.d4 d5 het zo onschuldige ogende 2.Lf4 tot een serieuze opening zou uitgroeien? Als je in ‘mijn’ tijd zo’n zet deed, maakte je je meteen bekend als een ongevaarlijke houtjesschuiver.

En – iets verder terug in het verleden – wie zag vijftig jaar geleden aankomen dat het frivole 4…La6 in het Dame-Indisch (1.d4 Pf6 2.c4 e6 3.Pf3 b6 4.g3), een idee van Keres dat aanvankelijk wel ironisch de “uitgegleden loper-variant” werd genoemd, het schijnbaar zo volkomen vanzelfsprekende 4…Lb7 naar de achtergrond zou verdringen?

Zo kan ik nog wel even doorgaan en in feite zou ik met gemak een compleet theorieboek kunnen schrijven enkel over dit soort soms zeer krasse veranderingen in beoordeling die bijna alle openingen in de loop der tijden hebben ondergaan.

 

Maar het meest krasse voorbeeld vind ik toch wel een zet die Aljechin in 1935 tegen Euwe speelde in de twaalfde partij van hun eerste WK-match en die in de loop der tijden is geëvolueerd van grove blunder tot hoofdvariant. Nieuwsgierig? Daar gaan we!

 

Euwe opent met 1.d4 en Aljechin speelt voor de derde keer in de match 1…Pf6 2.c4 g6 3.Pc3 d5, wat toen nog nieuw en experimenteel was en de “Grünfeldvariant van de Oost-Indische verdediging” werd genoemd. Euwe kiest, ook voor de derde keer, 4.Db3, “de zet van Botwinnik”. Het vervolg is 4…dxc4 5.Dxc4. Nu had Aljechin in de tweede matchpartij 5…Le6 6.Db5+ Pc6 gespeeld, wat hem snel in grote moeilijkheden had gebracht. In de vierde partij kregen ze de variant opnieuw en deed Aljechin het gezondere 5…Lg7. Zo ook nu. In de vierde partij had Euwe hierop 6.Lf4 geantwoord, wat min of meer 6…c6 afdwingt, maar verder niet veel presteert. Nu hij de stelling opnieuw op het bord krijgt, kiest Euwe het in onze eenentwintigste-eeuwse ogen ‘normale’ 6.e4, wat hij in zijn analyse achteraf “natuurlijker en ook sterker dan 6.Lf4” noemt. De partij gaat verder met 6…0-0 7.Pf3. Nu doet Aljechin 7…a6, een zet die Euwe in zijn commentaar een vraagteken geeft: “Deze zet is evenals de volgende gebaseerd op een misrekening. Aangewezen was 7…c6, 7…Pbd7 of misschien 7…b6”. Alleen al aan dit ene zinnetje kun je het afgrondelijke verschil in perceptie aflezen tussen de theorie van 1935 en die van nu: geen enkele van de door Euwe genoemde zetten doet tegenwoordig nog ter zake. De ‘moderne’ Grünfeldspeler houdt zich vrijwel uitsluitend bezig met 7…Lg4, 7…Pa6, 7…Pc6, 7…Pfd7 en, jawel, het populairst van allemaal: 7…a6.

Maar voor Euwe is de stelling na 7…a6 nieuw. Hij grijpt terug op zijn reflex uit de vierde partij en valt met 8.Lf4 de pion op c7 aan, denkende hiermee weer 8…c6 (of 8…Pe8) af te dwingen, waarna 7…a6, wat immers ter voorbereiding van b7-b5 is bedoeld, tot een tamelijk overbodige zet zou worden gereduceerd. Maar Aljechin antwoordt 8…b5. Opnieuw geeft Euwe een vraagteken. Ook andere commentatoren van toen keuren de zet sterk af of maken hem zelfs belachelijk. En dat is begrijpelijk als je gezien hebt dat Aljechin na 9.Dxc7 niets beters wist te bedenken dan het tenenkrommende 9…De8 en luttele zetten later (10.Le2 Pc6 11.d5 Pb4 12.0-0) met een wel heel erg incorrect stukoffer (12…Pxe4) aan de noodrem trok, wat hem een kansloze nederlaag opleverde.

Na afloop schijnt Aljechin beweerd te hebben dat hij 9…b4 had voorbereid, maar ‘per ongeluk’ stond zijn a-pion toen hij dit analyseerde niet op a6, maar op a7. In dat geval zou zwart na 10.Pa4 inderdaad gewoon op e4 kunnen slaan. Als dit verhaal klopt (maar dat lijkt me zeer onwaarschijnlijk), zou hij dus pas tijdens de partij, pas nadat hij de zet 7…a6 had uitgevoerd en zelfs pas na 8.Lf4 b5 9.Dxc7 tot de ontdekking zijn gekomen dat zijn a-pion niet op het veld stond waar hij hem had verwacht aan te treffen en dat 9…b4 10.Pa4 Pxe4 11.Pb6 dus catastrofaal zou zijn.

 

Een vreemd verhaal. Maar het allervreemdste is: het is nog niet afgelopen. Want wie nú naar de theorie van deze variant kijkt, ziet A. dat 7…a6 zeer hoog aangeschreven staat en zelfs een naam heeft, Hongaarse variant, B. dat niemand tegenwoordig nog 8.Lf4 speelt, en C. dat áls wit dan toch 8.Lf4 doet, daarvoor het antwoord 8…b5! 9.Dxc7 en nu niet 9…De8? maar 9…Dxc7 10.Lxc7 Lb7 in de boeken staat, met prima compensatie voor de geofferde pion.

 

Van vraagteken naar uitroepteken. Wat is er tussen 1935 en 2022 gebeurd om deze spectaculaire omslag, deze comeback van 7…a6, tot stand te brengen? Het blijkt een verkeerde vraagstelling te zijn. Er wás nooit een omslag, de variant 7…a6 hééft geen comeback gemaakt. Wat er is gebeurd is dat de variant na 1935 dood en begraven was en in 1970 opnieuw geboren werd.

 

Het begon ermee dat de partij Euwe-Aljechin in de theorie werd doodgezwegen, ongetwijfeld omdat de opening zo’n bijna absurd debacle voor Aljechin geweest was. Men voelde wellicht een soort plaatsvervangende gêne voor dit staaltje extreem slechte openingsvoorbereiding van de (toen nog) wereldkampioen. Hoe dan ook, de zet 7…a6 raakte in vergetelheid. Tot in de jaren zestig werd hij zelfs in de meest serieuze openingsboeken (Boleslavsky, Euwe’s eigen twaalfdelige openingenserie) niet eens genoemd! Rond 1970 komt hij dan vrij plotseling weer in beeld doordat enkele jonge Hongaarse spelers (Adorjan, Sax, Ribli) hem beginnen te spelen. En met succes. De variant floreert, krijgt een naam (Hongaarse variant) en groeit uit tot een van de grote hoofdvarianten van het Grünfeld-Indisch. Maar ook in de ‘nieuwe’ theorie vinden we nergens een spoor van wat dus in feite de stampartij is: Euwe-Aljechin (12) 1935. Vreemd als je bedenkt dat er in 1970 toch best nog mensen in leven moeten zijn geweest, die zich die partij hadden kúnnen herinneren, te beginnen met Euwe himself. Het enige wat er in de literatuur na 1970 over 8.Lf4 gezegd wordt is dat zwart na 9…Dxc7 10.Lxc7 Lb7 prachtige compensatie voor de pion heeft, iets wat ook in de praktijk wordt aangetoond, met name in de partijen Balasjov-Barczay, Skopje 1970 en Ivkov-Ree, Wijk aan Zee 1971. Zelfs in het boek van Van der Tak en Sosonko over het Grünfeld-Indisch uit 1979 (in de serie Leer goed schaken van Uitgeverij Andriessen) wordt Euwe-Aljechin niet genoemd. En dat terwijl het toch een partij uit een wereldkampioenschapsmatch was!

Dus omdat zowel Euwe als Aljechin  (én alle andere commentatoren) na de partij te kennen gaven dat 7…a6 slecht was en 8…b5 een blunder ­­– en natuurlijk omdat Aljechin kansloos verloor – is niet alleen de partij, maar de hele variant uit ons collectieve geheugen verdwenen. Toch maakte Aljechin eigenlijk maar één fout, namelijk 9…De8?, een zet die in onze moderne ogen inderdaad niet erg in aanmerking komt als je ziet dat zwart ook 9…Dxc7 10.Lxc7 Lb7 kan doen. Kennelijk zagen Euwe, Aljechin en al die andere kampioenen uit de jaren dertig dat dus niet.

 

Moeten we nu concluderen dat Aljechin zijn tijd zó ver vooruit was dat hij zijn eigen flitsende gedachtengang niet meer kon volgen? Was het genialiteit, vermomd als dwaasheid? Of is dit wat er gebeurt als er even iets misgaat in de machinekamers van de wereldgeschiedenis, als een stukje kennis dat voor 1970 was bedoeld, per ongeluk in 1935 terechtkomt? Wie weet, gebeuren zulke dingen wel voortdurend, maar zonder dat we het in de gaten hebben.

 

Van blunder tot hoofdvariant. “Wat ik speel is theorie” heeft Aljechin ooit gezegd, een uitspraak die heel zijn fenomenale, maar ook aandoenlijk naïeve arrogantie voor ons tentoonspreidt. Ik denk niet dat hij aan deze partij met zijn ‘blunders’ 7…a6 en 8…b5 dacht, toen hij dit zei. Maar hij kreeg gelijk! En de schrijvers van openingsboeken kregen ongelijk. Van zulke grote schakers mag je geen enkele partij veronachtzamen. Wat Aljechin speelt is theorie, ook als hij er kansloos mee verliest.

 

De catalogusremise
Welk nummer zullen we vandaag eens nemen?
door
Ik weet het, ik zou verontwaardigd moeten zijn. Maar ik kan het niet helpen, ik vind het zó ongelofelijk grappig dat nu ook in de Nieuwe Tijd, waarin alles wat oud, langzaam en niet-digitaal was allang weggevaagd leek te zijn, nu toch weer de korte remise opduikt, ook wel salonremise, ook wel grootmeesterremise genoemd. En dat dit meteen precies hetzelfde misbaar losmaakt als ‘vroeger’, in de Oude Tijd, die nog maar zo kort geleden is en die toch slechts weinigen zich kunnen herinneren.

Zelden heb ik zo moeten lachen als toen Radjabov en Nepomniachtchi zondag in de eerste finaleronde van de FTX Crypto Cup in niet meer dan enkele seconden vier ultrakorte remises op het bord smeten, overbekende zettenreeksen die als enige pointe hebben dat ze in een geforceerde zetherhaling uitmonden. Ach, wat was het heerlijk om al die verontwaardigde reacties te lezen en te beseffen dat er niets veranderd is, hoe groot de kloof ook is die er gaapt tussen de Nieuwe en de Oude Tijd. Heerlijke herinneringen borrelden uit mijn geheugen op, bijvoorbeeld aan die conversatie tussen Hans Ree en Robert Hübner tijdens het Hoogovenstoernooi in 1984, waarin ze bespraken hoe handig het zou zijn als er een catalogus van korte remisepartijen bestond, zodat je voorafgaand aan een partij waar je tegenstander en jij allebei geen zin in hadden, enkel tot overeenstemming hoefde te komen “welk nummer we vandaag eens nemen”. Geen taalproblemen, geen misverstanden, alles opgelost met een handig klein boekje dat iedere grootmeester in zijn binnenzak bij zich kan dragen. Ideaal! Zo’n catalogus kan door de jaren heen worden uitgebreid en geactualiseerd en zou tegenwoordig, naast evergreens als Dd1-b3-a4-b3-a4-b3 in de Klassieke variant van het Italiaans, heel wat modieuze nummers uit het Grünfeld-Indisch en de Berlijnse variant van het Spaans bevatten.

Maar het moet gezegd, ook in dit opzicht hebben de topspelers van nu de ‘theorie’ naar een hoger niveau getild. Nieuw is bijvoorbeeld dat ze de catalogusremise tot een belangrijk element van hun matchstrategie hebben gepromoveerd. Vooral Wesley So heeft er een gewoonte van gemaakt om als het écht spannend is zijn witpartijen zonder blikken of blozen in de prullenmand te gooien. Op die manier daagt hij als het ware zijn tegenstander uit: ik pas, wat doe jij? Je zou het niet verwachten, maar onder deze psychologische druk zijn inmiddels al heel wat topspelers bezweken. De catalogusremise als wapen!

Overigens, voor wie de luchtige, niet scherp veroordelende toon die ik hier aansla, te ver vindt gaan: de partij Ree-Hübner, Wijk aan Zee 1984 werd géén korte remise. Ree won in grote stijl. En Radjabov en Nepomniachtchi maakten op de tweede finaledag alles weer goed. De soep wordt nooit zo heet gegeten als hij wordt opgediend.

De ochtenden
Omzien in verwondering
door
Nu het weer lente wordt komen er, zoals ieder jaar, herinneringen bij me op aan eerdere lentes en dan met name aan bepaalde toernooien die ik in deze tijd van het jaar speelde, vroeger, toen ik nog jong en mooi en schaker was. Het sterkst is dit effect als ik een wandeling maak, in mijn eigen Amstelveense Middelpolder of gewoon ergens in een willekeurig stadsparkje waar het groen doorbreekt en de eerste bloesemgeuren en –kleuren zich aandienen.

Want wat heb ik op bankjes in parkjes gezeten tijdens die toernooien! Vooral in München 1990 en in Brussel 1993 deed ik, als mijn geheugen me niet al te zeer bedriegt, eigenlijk nauwelijks iets anders, althans tijdens de ochtenden wanneer ik wist dat er ‘s middags een loodzware tegenstander op me wachtte. Dan was er dat verpletterende besef, dat verschrikkelijk weten dat ik die partij wel eens zou kunnen verliezen en nee, dat was zo erg, zo absoluut onverdraaglijk erg, dat kón ik gewoon niet laten gebeuren. Het is alsof je weet dat je diezelfde avond dood kan zijn – want een schaker die zijn partij verloren heeft is in zekere zin dood – maar je wil niet, nee, je wil absoluut niet. Niet sterven, niet verliezen. Het kan niet en het mag niet.

Vreemd genoeg waren dit de gelukkigste momenten uit mijn schakersbestaan. Want op de een of andere manier was de automatische reactie op dit onverdraaglijk besef, dat alles wat er in mij aan ‘kracht’ was, zich bundelde en concentreerde in die ene, al het andere in mijn hoofd wegvagende, alles verschroeiende noodzaak om die partij dus niet te verliezen. En vreemd genoeg lukte dat dan bijna altijd. Op zo’n ochtend hield ik me nauwelijks bezig met schaaktechnische voorbereiding, maar ging ik volledig op in het ontluikende groen, in de bloesemgeuren, in de vogelgeluiden om me heen. Kortom, ik verdween in het leven zelf, dat immers altijd verder gaat en dat ook in dit geval zou doen, onverschillig of ik won of verloor.

Het is die intensiteit, die samentrekking van heel je wezen in een onverklaarbaar paradoxale vorm van totale ontspanning, waarvan ik direct voelde dat ik het voor altijd kwijt was toen ik in 2001 mijn schakersbestaan aan de wilgen hing. En inderdaad, zonder die verpletterende dreiging die van een naderende schaakpartij kan uitgaan, is ieder parkje tegenwoordig gewoon een parkje, iedere lente gewoon een lente, iedere ochtend gewoon een ochtend. Mooi misschien, maar zonder dat magische vermogen om me uit mezelf te halen en te verplaatsen in iets wat zelfloos is.

Mij rest nog slechts de herinnering aan die momenten en zelfs die herinneringen beginnen oud te worden. Is dat droevig? Ach, dat woord zou ik zelf zeker niet gebruiken. Weemoed misschien? Nee, eigenlijk is het vooral verwondering. “Omzien in verwondering”, noemde de historica Annie Romein-Verschoor haar autobiografie en zo voel ik het ook. Het is wonderlijk te zien hoe dat vroeger werkte in mijn hoofd.

Wonderlijk ook dat ik nooit van andere schakers gehoord heb dat ze soortgelijke ervaringen hadden. Dat kan er natuurlijk aan liggen dat wij dit soort dingen liever voor onszelf houden. Maar misschien heeft er toch meer in dat hoofd van mij gezeten dan ik dacht. Of juist minder? Want uiteindelijk waren zulke ochtenden vooral leeg. In die leegte verdween ik. En vond daar de onsterfelijkheid. Voor één dag.

Beschouwelijk stukkie
Over onhoorbare harmonie, elegantie en schijnbaar gemak
door
“Wat is de leukste anekdote uit je schaaktijd?” werd me onlangs gevraagd. Dat overviel me nogal en mijn onmiddellijke reactie was dan ook: geen idee. Maar omdat het me vriendelijk werd gevraagd en ik niet flauw wilde zijn diepte ik na langnadenken toch een voorval uit mijn geheugen op dat inderdaad mild amusant was.
Einde verhaal, iedereen tevreden, zou je denken. Maar voor mij kwam de pointe pas
na afloop, want toen drong het besef tot me door dat ik blijkbaar in het geheel niet in
anekdotes denk. Een anekdote is leuk (althans dat is de bedoeling) en als ik er een
hoor kan ik er erg van genieten, maar als ik er een beleef wordt die meteen omgewerkt
tot een verhaal van meer beschouwelijke aard. Het individuele van een gebeurtenis
wordt ingepast in de algemeenheid van een wereldbeeld, zo werkt dat in mijn hoofd.
Op dezelfde manier kijk ik ook naar schaakpartijen. In januari heb ik enorm veel tijd
doorgebracht met het live volgen van de partijen in Wijk aan Zee en nu zit ik weer
iedere avond naar het online rapidschaak van Carlsen en co. te kijken. Wat mij treft bij
de partijen van de wereldtop: dat ik bij bijna iedere zet die ze doen onmiddellijk denk:
ja, dat is hem! Zo en niet anders zit deze stelling in elkaar. Vooral bij het klassieke
schaak is er ruimschoots tijd om met de spelers mee te denken, wat er – bij mij althans
– vooral toe leidt dat je de problemen ziet, niet zozeer de oplossingen. En dan komt er
een zet en, of je hem nu verwacht had of niet, meteen is er die aha-ervaring waarin
alle losse onderdelen van zo’n stelling plotseling naadloos in elkaar blijken te passen.
En alles even glashelder is.
Vooral de zetten van Carlsen hebben op mij dat effect. Logisch natuurlijk, hij is nu
eenmaal de sterkste, maar je denkt op zulke momenten toch ook aan zijn bijnaam (of
moet ik zeggen eretitel?) “the Mozart of Chess”. Ook Mozart had de gave om iets te
creëren dat door vrijwel iedereen, ook zonder ervoor gestudeerd te hebben, herkend
wordt als “Ja, dit is het. Dit klopt!”.
Enig onderzoek leert me dat de bijnaam “Mozart of Chess” niet nieuw is. Hij is in het
verleden al voor veel grote én kleinere kampioenen gebruikt, door schakers maar ook
door kunstenaars. Zo vergeleek de beroemde Russische componist Sergej Prokofjev
het spel van zijn generatiegenoot Capablanca met Mozart (en dat van Lasker met
Bach). Het is de elegantie, de gratie van hun spel die sommige schakers deze eretitel
heeft opgeleverd. Het schijnbare gemak, de vanzelfsprekendheid (achteraf!), de
harmonie die er – even – in zichtbaar wordt. De harmonie die zit achter alles wat
individueel is, klanken, zetten, mensen, planeten en wat al niet meer.
Prachtige anekdotes, geniale zetten en bijzondere klanken, ze zijn onontbeerlijk voor
wie ze weet te waarderen, maar wat ze vooral laten klinken is die zelf onzichtbare,
onhoorbare harmonie waar ze uit voortkomen. Daarom noemen we Mozart een genie,
daarom noemen we Carlsen een genie en daarom noem ik iedereen een genie op het moment
dat hij of zij een briljante zet doet. Al zou het de enige zijn die ze ooit doen.
(Ik schrijf geregeld over schaken, onder andere voor CaissaNieuws
en voor Schaakmagazine. Onlangs verscheen een herdruk in eigen beheer van mijn
autobiografie Zwart op wit. Verslag van een schakersleven. www.paulvandersterren.nl)
In Memoriam: Bert van de Kamp (1947-2020)
Mijn grootste fan
door
maar we zouden niet vergeten dat we hebben gelachen, gelachen hebben we veel en dat zal ik niet vergeten want we hebben gelachen en veel hè? en dat zullen we nooit vergeten omdat we zoveel gelachen hebben en dat niet vergeten gvd wat hebben we gelachen en niet en nooit vergeten dat we zo hebben gelachen omdat we samen waren en zoveel gelachen hebben dat we het nooit zullen vergeten Bert Schierbeek

Hebben schakers ook fans? Jazeker! Al vanaf mijn tienerjaren kreeg ik na ieder succesvol toernooi een felicitatiekaart van een oom, ondertekend met “Fanclub Wageningen”, een traditie die hij tot het eind van mijn carrière volhield. Mijn oom hield veel van ironie en natuurlijk had de hele onderneming daarom sterk het karakter van een grapje, maar een stevige fundering van welgemeend enthousiasme lag er toch nadrukkelijk onder.
Een heel ander soort fan was de vijftienjarige jongen uit Brabant die me brieven begon te sturen toen ik een jaar of zevenentwintig was. Dit was écht een fan, die alles prachtig vond wat ik deed en door dik en dun achter me stond. Tijdens het OHRA-toernooi 1983 in Arnhem en Amsterdam werd hij zelfs bordenjongen en perskamer-assistent om maar zoveel mogelijk in mijn buurt te kunnen zijn. Zijn trouwe bewondering stimuleerde me enorm in dit toernooi en ik behaalde er – op een haar na – een van de grootste successen uit mijn loopbaan.
Weer heel anders was het met mijn (toen nog toekomstige) schoonvader, Carel van Parreren. Zijn levendige enthousiasme, zowel voor het schaakspel zelf als voor mijn prestaties daarin, waren niet alleen plezierig en inspirerend, maar vergemakkelijkten bovendien mijn entree in zijn familie aanzienlijk.
En zo waren er nog wel een paar, waarbij ik mijn vrouw, wegens onvergelijkbaarheid met wie dan ook en omdat ik anders een heel boek nodig heb, maar buiten de ranglijst houd. Maar de grootste, de dierbaarste, de trouwste en degene die ook ná mijn actieve schakerstijd een van mijn beste vrienden bleef was Bert.

Bert van de Kamp was negen jaar ouder én veel beroemder dan ik toen we elkaar voor het eerst ontmoetten. Dat laatste wist ik toen nog niet en het was ook niet aan hem te merken. Pas later drong het langzaam tot me door hoe torenhoog zijn status als popjournalist was, maar zelf was hij daar altijd nuchter en vooral bescheiden over. Bescheiden was ook hoe hij zich opstelde op mijn terrein, dat van het schaakspel. Hij hield van het schaken op een manier die voor mij altijd die van de ideale amateur is geweest: enthousiast, leergierig en met een warme belangstelling voor de mens achter de schaker. Dat laatste kenmerkte ook zijn interviewstijl en was trouwens ongetwijfeld het geheim van zijn succes als popjournalist, in combinatie natuurlijk met een enorme vakkennis én een kritische geest.

Het was 1978 en we waren nog jong. Samen met twee vrienden/collega-schakers belde ik op een augustusavond aan bij een huis in Londen. Eén van ons, Frans Borm, had geregeld dat wij voor de duur van het Lloyds Bank toernooi konden overnachten bij een echtpaar dat hij kende en dat voor hun werk tijdelijk in Londen woonde, Bert en Invy van de Kamp. Ik verwachtte (en was allang blij met) niet meer dan een bed voor de nacht, want veel geld hadden we niet en wat mag je van wildvreemden méér verwachten? Maar hieruit blijkt wel dat ik Bert en Invy toen inderdaad nog niet kende. Het werd een week van een in mijn schakersleven misschien wel nooit meer geëvenaarde gezelligheid, solidariteit en plezier, waarin het ons werkelijk aan niets ontbrak, behalve – o ironie – aan een bed. Bert en Invy woonden piepklein, dus voor slapers was er enkel de vloer en één slaapbank. Per dag werd er gekeken wie van ons er het beste voorstond in het toernooi en die kreeg dan de bank. Ja, het was 1978 en we waren nog jong. De – geheel door Bert en Invy gecreëerde – sfeer in dit toernooi was zo goed dat ik naar grote hoogten werd opgetild en de IM-norm die ik hier behaalde was voor mij een schitterende bekroning van een onvergetelijke tijd.
Hetzelfde feest herhaalde zich trouwens een half jaar later nog een keer, al was toen, voor mij althans, het toernooi geen succes, misschien omdat ik toen geen IM-normen meer nodig had.

Zo begon het. Daarna bleven we elkaar opzoeken, in Amsterdam uiteraard, maar heel vaak ook bij toernooien waar ik aan meedeed. Bert kwam dan kijken, juichte me toe als het goed ging, troostte me als het niet goed ging en altijd weer wist hij die vertrouwde gezelligheid te creëren als we na afloop samen gingen eten (en drinken!). Ook Invy was daar heel vaak bij en die spreidde dan haar talent ten toon om zonder de feestvreugde ook maar enigszins te verminderen (integendeel!) ervoor te zorgen dat Bert weer heelhuids thuiskwam.

Ach, Bert, waar zijn we niet allemaal samen wezen slempen in de loop der jaren? In Wijk aan Zee natuurlijk, Antwerpen herinner ik me nog levendig, Eindhoven, Amsterdam, en ja, waar niet eigenlijk? De meest verrassende was die keer in Londen in 1980. Bert en Invy woonden inmiddels weer in Amsterdam, maar toch stond hij daar op een dag totaal onverwacht voor mijn neus, of eigenlijk achter de rug van mijn tegenstander. Even in Londen voor een paar interviews met popsterren, had hij toch nog de tijd gevonden om mij op te zoeken. Natuurlijk wisten we een Indiaas restaurant te vinden om dat te vieren.
Later, en dan bedoel ik vooral na mijn schaaktijd, waren het de (talloze) bezoekjes aan jullie onverminderd gastvrije huis in Den Bosch, eerst in de Seringenstraat en later in de Torenstraat, die onze vriendschap continueerden en o ja, we zijn natuurlijk ook nog met z’n vieren naar Venetië geweest in 2006. Het hield gewoon nooit op en dat is ook precies waarom ik Bert een van mijn beste vrienden noem.

Bert, veel van mijn mooiste herinneringen zullen met jou verweven blijven. Ik snap dat je er niet meer bent en tegelijkertijd snap ik er niets van. Misschien gaat het altijd zo. Je bouwt een verhaal over iemand op in je hoofd, hetzij uit één enkele ontmoeting, hetzij uit honderden, en dat verhaal is wat blijft. Ook als het ophoudt.

De laatste
Terug naar ‘vroeger’
door
De meeste schakers van nu kennen hem niet meer, maar Peter Scheeren was een van de beste Nederlandse schakers van zijn en dus van mijn generatie. Ik kwam hem voor het eerst tegen in het jeugdkampioenschap van Limburg in 1971 en sindsdien liepen we elkaar voortdurend in de weg, dat wil zeggen versloegen en stimuleerden we elkaar overal en doorlopend. We waren aartsrivalen.

Beginnend met het jeugdkampioenschap van Limburg betwistten we elkaar alles waar je maar om vechten kan, culminerend in de kampioenschappen van Nederland tussen pakweg 1980 en 1986. Altijd stonden onze partijen onder hoogspanning, altijd was het in toernooien een topprioriteit om boven de ander te eindigen. Totdat Peter zich in 1987 terugtrok uit de toernooiarena, nog enkele jaren napruttelde in de KNSB-competitie en begin jaren negentig definitief uit (mijn) beeld verdween. Toen hij in 1995 nog eens volkomen onverwacht tegenover me kwam te zitten in een wedstrijd HSG-Eindhoven dacht ik dat ik een spook zag.

En nu zat ik weer tegenover hem, 22 jaar na die laatste keer, 46 á 30 jaar na de hoogtijdagen van onze rivaliteit, zestigers allebei. Wat was er veranderd? Kort antwoord graag. Niets.

Paul van der Sterren  Paul van der Sterren (2436) - staging  Peter Scheeren (2401), 2017.05.06

en hier gaf hij het op. Ik had nog 34…Ld4+ verwacht, waarna 35.Kh2 het eindpunt zou zijn geweest.

Kan iemand begrijpen hoe zo’n partij voelt? Bedankt Caissa, dat ik dit nog heb mogen meemaken.

Zonder bagage naar Sas van Gent
door
In ronde 7 verloor Caïssa de uitwedstrijd tegen koploper HWP Sas van Gent met 6,5-3,5. Er zat meer in, maar in het vierde speeluur gingen gewonnen stellingen op de borden van Alje en Rob verloren, en raakte Arno in zo goed als gelijke stelling de weg kwijt op het smalle pad. Het hoogtepunt van Caïssa-zijde kwam eigenlijk in de allerlaatste partij van de dag. De match was allang beslist maar de zege van Paul van der Sterren was een dikke pleister op de wond. We zijn blij dat Paul zijn partij van commentaar voorziet.

Een verslag van de tegenpartij staat op http://www.hwpsasvangent.nl. Gedetailleerde uitslagen staan op de site van de schaakbond: http://www.schaakbond.nl/wedstrijdschaak/knsb-competitie/2014-2015/klassen/1b

Paul van der Sterren  Paul van der Sterren (0) - staging  Maenhout, Thibaut (0), 2015.03.21

Memoires van een invaller
door
Na enkele maanden afwezigheid maakte Paul van der Sterren afgelopen zaterdag zijn rentree in Caïssa 1. Over zijn hernieuwde kennismaking met de intensiteit van een schaakpartij schreef Paul het volgende verslag.

staging  Goudriaan, Etienne (2352) - Paul van der Sterren  Paul van der Sterren (2451), 2014.12.13