Het geheim van Jan Timman
Van de doden niets dan goeds
door

Ach Jan, wat word je toch van alle kanten doodgeknuffeld, nu je dood bent. Natuurlijk, het is ook wat, jouw overlijden. Wij, achterblijvende schakers worden er diep door geraakt, zeker degenen die min of meer van jouw generatie zijn en dus je hele carrière hebben meebeleefd. Voor jou is het enkel het einde van je leven, maar voor ons is het het einde van een tijdperk. En dat hakt erin. Logisch dus dat we nu massaal onze laatste kans grijpen om je te laten weten hoeveel je voor ons betekend hebt en hoe we je bewonderd hebben. Zo hoort het. En van de doden niets dan goeds natuurlijk.

Maar doen we je eigenlijk wel recht op deze manier? Je was toch meer dan alleen een held, een idool, een mythe? Je was toch ook gewoon een mens? En als het waar is dat er van de levenden zoveel slechts te melden valt (zoals alle media ons iedere dag willen doen geloven), hoe zou dat dan anders kunnen zijn van de doden?

 

Maak je geen zorgen, Jan, ik ga nu echt niet lelijk tegen je doen. Ik ga maar één geheim van je verklappen en dat is er dan nog een van het soort waar je je niet voor hoeft te schamen, iets wat je trouwens, naar ik vermoed, nooit gedaan hebt. Schaamte was jou vreemd. Daarom blunderde je ook nooit, je maakte enkel zo nu en dan een “ergerlijke vergissing”. Dat klonk heel anders en was beter voor je zelfbeeld. Nee, wat ik hier wil toevoegen aan al die huldebetuigingen van de voorbije weken is iets anders. Ik ga het geheim onthullen van je succes.

 

Ik verwacht dat Jans meer militante fans nu even flink zullen steigeren. “Het geheim van zijn succes? Dat was toch zeker zijn fenomenale talent! Wat is daar voor geheimzinnigs aan? Hij stond gewoon ver boven alle andere schakers!” Inderdaad, wat wij talent noemen is natuurlijk de basis. Zonder dat is succes onmogelijk. Maar zoals Willem Elsschot ons al (min of meer) leerde, “tussen talent en succes staan tegenstanders in de weg en praktische bezwaren”. En hoe een mens dáármee omgaat, dát bepaalt de mate van zijn of haar succes.

 

Laten we met die praktische bezwaren beginnen. Een schaker die zijn talent ten volle wil ontwikkelen, moet zich geheel aan het schaken kunnen wijden. Hij moet zijn leven zodanig inrichten dat alles in het teken van die passie staat; er mogen geen storende factoren zijn. Nu zijn er in een mensenleven altijd storende factoren, dus hoe pak je dat aan?

Welnu, dat kan maar op één manier: je moet je mentaal af kunnen sluiten voor alles wat je uit je evenwicht brengt. Dat begint met concentratie natuurlijk, maar het gaat verder dan concentratie, veel verder. En het is dit ‘verder dan’ waar de bewondering van de buitenwereld meestal ophoudt en zelfs in zijn tegendeel verkeert, want ‘verder dan’ is een gebied waar bijna niemand je kan volgen. Ook deze eigenschap, dit vermogen om verder te gaan dan enig ander, noem ik een talent, maar ik begrijp volkomen dat je het ook heel anders kunt noemen. Egocentrisme bijvoorbeeld, of een tekort aan empathie (of op zijn minst belangstelling) voor ‘de ander’. Waarschijnlijk heeft een psycholoog er nog wel een paar krachtiger termen voor. Het is dan ook op dit gebied waar de schaduwkanten van al dit ‘talent’ zichtbaar worden.

 

En dan de tegenstanders. In mentaal opzicht domineerde Jan de meeste van zijn tegenstanders, omdat het in zijn belevingswereld normaal was en zelfs vanzelf sprak dat hij de beste was. Naast zijn talent voor het spel zelf was dát zijn grote kracht, die overigens geheel in het verlengde ligt van dat egocentrisme, of hoe je het ook wilt noemen, waar ik het zojuist over had.

 

Ik heb ruim twintig keer tegen hem gespeeld, voor het eerst in 1975 toen ik negentien was en hij drieëntwintig, voor het laatst in 2013 toen we allebei in onze nadagen nog wat napruttelden in de KNSB-competitie. Zijn enorme kracht, zijn diepe begrip in alle fasen en in alle stellingstypes, kortom zijn talent voor het spel, dát voelde ik meteen vanaf de eerste partij. Maar waar ik me pas heel geleidelijk van bewust werd was dat ándere talent: zijn vermogen om tegenstanders mentaal te domineren, ze weg te drukken, te kleineren. Over het algemeen voel je als schaker tijdens een partij tot op zekere hoogte hoe je tegenstander er mentaal aan toe is. Dit natuurlijk in relatie met hoe je zelf vindt dat het gaat. Als je goed staat en merkt dat je tegenstander dat ook zo ziet geeft die vaststelling je kracht en ga je je steeds beter voelen. En omgekeerd, als je merkt dat je tegenstander in de winning mood is, dan tast je dat aan, of je wil of niet.

Timman nu was altijd in de winning mood. Een partij tegen hem was in dit opzicht vergelijkbaar met een partij tegen een computer. Zo’n apparaat geeft je geen mentale feedback en voor een mens is dat lastig. Je gaat aan jezelf twijfelen en je mist die extra energie die een langzaam afbrokkelende tegenstander je kan geven. Je moet, zou je kunnen zeggen, alles helemaal zelf doen. En dat was precies het effect wat Jan Timman op je had. Als je goed stond, gaf hij je daar geen enkele bevestiging van, ook niet na afloop trouwens en zelfs niet als je gewonnen had. Hij gaf je geen enkele vorm van erkenning, nooit. In zekere zin was het dan ook gemakkelijker spelen tegen hem als je slecht stond, want daar had je geen bevestiging voor nodig. Dan was het gewoon vechten voor je leven en deed de houding van degene die tegenover je zat niet ter zake. Grappig genoeg ben ik dan ook succesvoller tegen hem geweest in slechte dan in goede stellingen.

 

Ik denk dat je deze heel specifieke mentale kracht van Jan zelfvertrouwen moet noemen. Dit woord heeft over het algemeen een positieve connotatie, want we denken dan aan een gezond zelfvertrouwen, een eigenschap waaraan je steun hebt in je leven. Maar bij Jan ging het zelfvertrouwen veel verder. Het was een allesoverheersend, een met absolute zekerheid weten dat hij de beste was. Zoiets werkt alleen als je er zelf in gelooft. En Timman geloofde erin. “Ik ben Jan Timman, dus ik sta beter”, dát was zijn houding en dat straalde hij uit. Van dit unieke type zelfvertrouwen heb ik de meest verbluffende staaltjes meegemaakt, zowel in onderlinge partijen als in partijen waarvan ik getuige was. Wat hij niet allemaal durfde te beweren! Hij had daarbij het geluk dat zijn beste tijd ruim vóór de tijd van de engines was. Mensen waren vrijwel nooit in staat om hem te corrigeren. “Maar wat doe je dan hierop, Jan?” werd eenvoudig beantwoord met “Nou, dit natuurlijk” en vervolgens veranderde een analyse of een gesprek in een nieuwe partij, die hij dan óók weer won. In schaaktechnisch opzicht leerde je veel van hem, maar je eigen zelfvertrouwen werd er telkens opnieuw door gekraakt. (Wat trouwens voor een ‘gewoon mens’ helemaal niet verkeerd is, maar dit terzijde.) Bobby Fischer, die dit zelfvertrouwen in misschien wel nóg hogere mate had, was hier heel open over. In een beroemd geworden tv-interview zei hij ooit, breed lachend: “the greatest pleasure in a game of chess is the moment when you break his ego”. Deze uitspraak, ontwapenend wreed en eerlijk tegelijk, van misschien wel de grootste schaker en zeker de grootste egovernietiger aller tijden, zegt ook iets over Jan Timman. Met deze overgrote vorm van zelfvertrouwen zet je jezelf in feite buiten – of in je eigen beleving waarschijnlijk boven ­– de samenleving. Je creëert een mythe, je wórdt een mythe.

 

Het is een open geheim wat ik hier heb ‘onthuld’, want diep in ons hart weten we allemaal dat het zo werkt. Geen mens is in staat tot buitengewone prestaties als hij of zij niet over een buitengewone karakterstructuur beschikt. Het is ook geen onthulling waar iemand iets aan heeft, want navolging is onmogelijk. Je kunt je karakter niet omvormen tot dat van een Fischer of een Timman. En misschien is het sowieso wel allemaal onzin wat ik beweer. Zou het niet zo kunnen zijn dat een buitengewoon talent zélf het karakter van de mens waarin het terechtgekomen is, naar zijn wensen vormt, zonder dat die mens het in de gaten heeft? Wie weet?

 

Vaarwel, Jan. Je leven eindigt, maar je mythe blijft. En daar gaat het om.

 

Training GM Paul van der Sterren afgelast
Wegens te weinig belangstelling
door
Toen hem het nieuws werd gebracht dat zich deze keer niemand voor zijn jaarlijkse cursus Hoe word ik verlicht? had aangemeld slaakte Zenmeester Po Pi, wat in modern Nederlands zoveel betekent als Groot Onbenul, een zucht van opluchting. “Eindelijk, eindelijk hebben ze het begrepen” mompelde hij. “Prachtig! Mijn taak is volbracht.”

“Wat zegt u nu, meester?” verbaasde zich zijn assistent die beleefd op antwoord stond te wachten. “Bent u dan niet teleurgesteld dat er geen nieuwe studenten meer zullen komen?”

“Teleurgesteld? Mijn jongen, dit is juist waarvoor ik het al die jaren gedaan heb! Een leerling komt altijd bij me omdat hij verwacht iets te kunnen leren. Altijd begin ik daarom met hem of haar te verzekeren dat er bij mij niets te leren valt. Daar is de deur, zeg ik dan. U kunt nog vertrekken. Iedere keer weer wordt dat opgevat als een grapje. Maar ik blijf het herhalen en bovendien richt ik mijn lessen altijd zo in dat ze er vanzelf geleidelijk achter komen dat ik ze inderdaad niets leer. Niets.”

“Ga uit en leer het u zelf?”

“Precies, m’n jongen, precies! En blijkbaar is dat in de vorige cursus dan toch overgekomen. Alles wat ik iemand kan leren is niets. En dat is alles. Je moest eens weten hoe heerlijk het is dat ik hier nu in geslaagd ben.”

De assistent boog, schonk zijn oude meester nog een kopje thee in en ging heen. En de meester? Hij gaf zijn planten water, keek naar de ondergaande zon en wist dat de sake hem die avond beter zou smaken dan ooit.

Evert-Jan Straat (1952-2025)
De ideale bibliothecaris met een onbaatzuchtige liefde voor zowel het schaakspel als de schaakcultuur
door
Volkomen onverwacht en heel plotseling is onze clubgenoot Evert-Jan Straat overleden. Hij was een trouw lid van Caissa, maar ik zou hem vooral een icoon van het Amsterdamse schaakleven willen noemen, al speelde hij die ‘rol’ van icoon op een hem kenmerkende onopvallende manier.

Ik denk dat het niet overdreven is om te zeggen dat zijn leven in het teken van het schaakspel stond. Hij speelde, schreef, werkte in de jaren negentig als corrector voor New in Chess, was zo’n twintig jaar lang vrijwilliger bij het Max Euwe Centrum en hij hield heel veel van boeken, schaakboeken.

Hij zal het spel van zijn vader hebben geleerd, mr. Evert Straat, in zijn tijd een prominente figuur in de Nederlandse schaakwereld, nu voornamelijk nog bekend vanwege Praatschaak, een bundeling van geestige schaakverhalen. Zoon Evert-Jan (maar kortweg eveneens Evert) was al snel een van de beste junioren van Amsterdam en in 1970 deed hij mee aan het NK voor de jeugd. Zelf leerde ik hem kennen toen we in 1974 een kamer deelden tijdens de Voorwedstrijden voor het Nederlands kampioenschap. Dat toernooi werd gehouden in drie weekenden en hij arriveerde op vrijdag steevast in militaire plunje, als een van de weinige schakers van zijn generatie die zich niet aan de dienstplicht onttrokken. Gedurende de jaren zeventig speelden we vaak samen in allerlei toernooien en clubwedstrijden en sowieso kwamen we elkaar in Amsterdam vaak tegen. In 1985 reisden Evert en ik, samen met Gert Jan de Boer, naar Montpellier om daar een open toernooi te spelen. Hij was toen even heel ambitieus, want in september van dat jaar had hij een IM-norm gescoord in Oostende (met o.a. een remise tegen Sosonko) en hij hoopte een vervolg te geven aan dat succes. Dat lukte uiteindelijk niet en ik denk dat die IM-norm in sportief opzicht zijn beste prestatie is gebleven, maar hij maakte zich ook op andere terreinen verdienstelijk voor het Nederlands schaakleven. Zo publiceerde hij in 1993 bij New in Chess een beknopte biografie en partijenverzameling van Donner, van wie hij vond dat zijn successen als schaker overschaduwd dreigden te worden door zijn reputatie als schrijver. In 1996 volgde, in eigen beheer, een bundeling van de rondenverslagen van het Nederlands kampioenschap in 1958, die zijn vader indertijd voor de Volkskrant schreef. Beide uitgaven kan ik niet anders zien dan als een typerende uiting van zijn onbaatzuchtige liefde voor zowel het schaakspel als de schaakcultuur. Halverwege de jaren nul begon hij als vrijwilliger bij het Max Euwe Centrum en daar bleef hij tot aan zijn dood een van ‘onze’ trouwste medewerkers. Hij was de ideale bibliothecaris, de man die alles wist van de boekencollectie en er altijd weer van genoot als er iets nieuws binnenkwam.

Zijn liefde voor het schaken zelf verslapte er niet door. Twee maanden voor zijn dood meldde hij zich bij me met de vraag of ik er iets voor voelde om samen zijn partijen uit het Amsterdam Chess Open door te nemen. Dat hebben we twee keer gedaan en tijdens die sessies werd ik getroffen door zijn intense belangstelling voor hoe zijn partijen in mijn ogen in elkaar hadden gezeten, voor wat hij goed en minder goed gedaan had, kortom voor hoe rijk en altijd weer verrassend het schaakspel is. Ik vond het zelf ook ontzettend leuk om weer met hem samen te werken en ik keek al uit naar onze derde afspraak, in februari met partijen van het Tata Steel toernooi. Helaas, het gaat er niet meer van komen. Heel veel gaat er niet meer van komen. Maar bedankt, Evert, voor de mooie momenten die we samen gehad hebben.

 

16.Ld5!
Beste Albert,
door
Je bent natuurlijk een geweldige voorzitter van Caissa, een zo mogelijk nóg geweldiger penningmeester van het Max Euwe Centrum en een bovengemiddeld aangenaam mens, maar...

Het moet me toch even van het hart dat je in je laatste Caissa Nieuwsflits wel érg negatief bent over het toptoernooi in St.Louis en vooral over de vele remises die daar vallen.

Uitdrukkingen als “geschuif”, “de jus ontbreekt” of “Mag het wat gewaagder?” doen mij, die iedere dag opnieuw geniet van de geweldige partijen die ze daar spelen, pijn aan het hart. Heb je die fantastische zet 16.Ld5 wel gezien, Albert, waarmee Giri in de vierde ronde Vachier-Lagrave aan het wankelen bracht, zijn 20.Lxe6 waarmee hij een groot risico nam dat hem bijna fataal werd en waarna het een klein wonder was dat hij nog nét met remise wegkwam? Of die titanenstrijd tussen Aronian en Firouzja waarin zwart vanaf het begin iets minder stond, zich heroïsch verdedigde, maar in het verre eindspel toch door de onverzettelijke witspeler – inderdaad – weggeschoven werd?

Ach, beste mensen, ze spelen zo goed. Met zoveel creativiteit, zoveel energie, zo’n enorme vastberadenheid ook. En dat iedere dag opnieuw. Ze kunnen het tenslotte ook niet helpen dat ze aan elkaar gewaagd zijn, dat het op dat niveau zo ontzettend moeilijk is om een partij te winnen. En wat maakt het ook eigenlijk uit hoe een partij afloopt? Als er maar iets gebeurt. En er gebeurt zo veel.

Albert, uiteraard heb je het volste recht op je eigen mening. Dat respecteer ik, zoals ik ook jou als mens ten zeerste respecteer. Maar iedere mening roept een tegenmening op, ieder geluid een tegengeluid. Zo gaat dat in de politiek, zo gaat het overal. Ook jouw visie ontkomt daar niet aan. Maar het schaakspel zelf is weerloos, kan zich niet verdedigen. Daarom heb ik dat maar gedaan. Het voelde als mijn plicht. Want wie eenmaal 16.Ld5 heeft gezien kan over zulke dingen niet zwijgen.

Paul van der Sterren

Hollen is voor de dommen
Gedenkboekje Rob Witt
door
Het boekje dat je hier kunt openen bevat herinneringen aan Rob (en aan zijn vrouw Marga, die ook vorig jaar overleed), foto’s, een verslag in woord, beeld en video van het Memorial toernooi en een flink aantal partijen van Rob, deels door hemzelf geanalyseerd. Het is een indrukwekkend monument geworden voor een van de sterkste én vriendelijkste Nederlandse schakers van zijn generatie. Het is tragisch dat hij het zelf niet meer kan lezen.



Bekijk de video van het Rob Witt memorial toernooi in Grandcafé Eighty-Four

Download hier het archief met 365 vaak becommentarieerde partijen van Rob

Partijen uit het boek kan je hieronder naspelen

Jan Timman  Jan Timman (0) - Rob Witt  Rob Witt (0), 26.07.2002


Jan Hein Donner  Jan Hein Donner (0) - Rob Witt  Rob Witt (0), 26.03.1982


Paul van der Sterren  Paul van der Sterren (0) - Rob Witt  Rob Witt (0), 23.01.1977


Rob Witt  Rob Witt (0) - staging  Eslon,Jaan (0), 23.01.1977


Jan Timman  Jan Timman (0) - Rob Witt  Rob Witt (0), 18.04.1976

Wim Nijenhuis tegen Abe Willemsma


Wim Nijenhuis  Wim Nijenhuis (1896) - Abe Willemsma (TL)  Abe Willemsma (TL) (2046), 2023.02.19

Abe Willemsma tegen Arthur van de Oudewetering


Abe Willemsma (TL)  Abe Willemsma (TL) (0) - staging  Arthur van de Oudewetering (0), 2023.03.06

Merijn van Delft – Joel De Vries


Avatar  Van Delft, Merijn (2363) - Avatar  De Vries, Joel (2191), 2023.02.19

Robin Duson – Merijn van Delft


staging  Duson, Robin (2169) - staging  Van Delft, Merijn (2363), 2023.02.19

Francis Lessmann – Frenk van Herreveld


Francis Lessmann  Francis Lessmann (2056) - staging  herreveld, frenk van (2296), 2023.02.19

De macht van het woord
Over het 'verslag' van Giri-Carlsen in NRC en de gevoeligheid van Schaken.nl
door
Woorden, het zijn de goedkoopste wapens van de tiran en het enige verweer tégen die tiran. Je kunt er literatuur van maken tot in de hemel, mensen tot tranen toe ontroeren, met het leven verzoenen. Je kunt er hele volksstammen mee overtuigen dat de aarde plat is, dat oorlog goed is en dat je met schaken vals kan spelen met een buttplug. Woorden, wat zouden we zonder ze moeten beginnen?

De hoofdredacteur van Schaken.nl vond onderstaande column te negatief van toon. Hij kán natuurlijk gelijk hebben…

Maar nu vroeg ik me af:

kan een Caissaan

dit misschien wél aan?

De macht van het woord

Woorden, het zijn de goedkoopste wapens van de tiran en het enige verweer tégen die tiran. Je kunt er literatuur van maken tot in de hemel, mensen tot tranen toe ontroeren, met het leven verzoenen. Je kunt er hele volksstammen mee overtuigen dat de aarde plat is, dat oorlog goed is en dat je met schaken vals kan spelen met een buttplug. Woorden, wat zouden we zonder ze moeten beginnen?

Soms stel ik mezelf deze vraag en denk ik er meteen achteraan: dán zouden we pas gelukkig zijn! Op de dag dat Anish Giri zijn historische overwinning boekte op Magnus Carlsen in het Tata Steel Toernooi van dit jaar, stond het volgende ‘verslag’ van die partij in de NRC-app:

“Giri en Carlsen gingen tot aan de eerste twintig zetten gelijk op, maar daarna gaf Carlsen het spel weg met een serie onnauwkeurigheden. Toen de Noor een ver naar voren gelopen pion innam met zijn toren, gaf hij Giri de kans om met twee lopers een aanval te openen. Een van de zwarte torens stond intussen opgesloten in de hoek, waardoor Carlsen één stuk minder had om te verdedigen.

Door stukken te ruilen had Carlsen het spel nog kunnen proberen gelijk te spelen, maar hij probeerde het spel open te breken door een pion op te offeren en raakte vervolgens verstrikt in een aanval van de witte stukken. Giri voerde die aanval perfect uit en gaf Carlsen geen kans meer om terug te komen.

Het is niet de eerste keer dat Giri wint van Carlsen, maar de meeste andere overwinningen waren in snelschaak. Carlsen wordt in langere spellen gezien als de beste speler ter wereld, zo niet aller tijden.”

Hoe treurig kunnen woorden je maken? En dat in de NRC, die zoveel grootmeesters van de taal in zijn gelederen telt. Hier wordt niet geprobeerd om de lezer te laten meevoelen hoe spannend, hoe gecompliceerd, hoe ondoorgrondelijk moeilijk deze partij was. Hoe je als toeschouwer wel voelde dat Giri na zijn gedurfde pionoffer het initiatief had, maar hoe je absoluut niet in staat was om te zien hoe het nou eigenlijk stond. Hoe je hersenen gaandeweg wel inzagen dat wit in het voordeel was, maar dat alleen je engine over voldoende rekenkracht beschikte om er de grootte van in te schatten. Hoe heel schakend Nederland ten slotte op zijn grondvesten trilde toen Carlsen het opgaf. Niets van de spanning, de magie en de schoonheid van deze unieke partij wordt aan de lezer doorgegeven. Integendeel, hier probeert iemand zijn volkomen onbegrip te verbergen achter een rookgordijn van onzinwoorden. Carlsen “nam een pion in” (wat had de schrijver eigenlijk ingenomen toen hij dit schreef?), verzuimde om “het spel nog gelijk te proberen te spelen” en kon zich ten slotte enkel nog troosten met het besef dat hij toch maar mooi als “de beste speler in langere spellen” wordt gezien.

In feite maakt dit stuk sterk de indruk dat het geschreven is door ChatGPT, waarvan onlangs bekend werd dat veel scholieren het gebruiken om huiswerkopdrachten te maken. Alleen, het niveau is te laag. Met dit stuk zouden ze gegarandeerd een onvoldoende krijgen. De onmacht van het woord.

Paul van der Sterren

Een van mijn oudste en meest dierbare vrienden
In Memoriam Rob Witt (1950-2022)
door
Op 22 september overleed op 71-jarige leeftijd onze clubgenoot Rob Witt na een niet heel lang, maar wel zeer onplezierig ziekbed. Twee maanden eerder was zijn vrouw, Marga, al overleden. Ze waren ruim 50 jaar samen, om precies te zijn sinds de dag dat Ajax de Europacup won tegen Panathinaikos: 2 juni 1971. Rob keek naar die wedstrijd in sociëteit H88 en na afloop stond hij aan de bar naast een mooi meisje. Hij bood haar een handvol pinda’s aan en sindsdien waren ze onafscheidelijk. “Dat was mijn beste investering ooit” voegde Rob eraan toe, toen hij me dit verhaal vertelde na het overlijden van Marga.

Maar Rob enkel “onze clubgenoot” noemen doet hem tekort, want toen hij nog in de kracht van zijn leven was, lang voordat hij bij Caissa terechtkwam, was hij een van de beste Nederlandse schakers van zijn generatie (als we de één jaar jongere Jan Timman als hors concours even buiten beschouwing laten). In 1970 won hij het Nederlands Jeugdkampioenschap en in de jaren daarna groeide hij door naar wat we toen “een sterke hoofdklasser” noemden, iemand die op voet van bijna-gelijkheid tegen het meestergilde speelde. Deze informele kwalificatie was voor de meesten – ook de zeer talentvollen – in feite het hoogst haalbare, want de meestertitel was in die tijd, waarin je hoogstens één of twee keer per jaar een theoretische kans kreeg, vrijwel voor niemand weggelegd.

Rob wist zich twee keer te plaatsen voor het Nederlands kampioenschap, in 1976 en 1982, en eindigde beide keren op een niet spectaculaire, maar zeker verdienstelijke tiende plaats. Oók in 1976 won hij (samen met mij) een van de Reservegroepen van het Hoogovenstoernooi, wat ons allebei een uitnodiging opleverde voor de Meestergroep van 1977, waarin hij het opnieuw goed, maar niet té goed deed. Achteraf denk ik dat zijn respect voor de grote namen hem in de weg zat. Hij was te aardig om zijn tegenstanders echt pijn te willen doen, altijd geweest en altijd gebleven.

Die zachtmoedigheid belette hem niet om in 1981 nog eens flink uit te halen in het open toernooi te Baden-Baden, waar hij een sterk contingent Nederlandse deelnemers (o.a. Van der Wiel, Hartoch, Böhm en Van Baarle) wist af te troeven en – ook hier gebroederlijk samen met mij – een uitnodiging voor het Grootmeestertoernooi van het volgend jaar binnensleepte. Door organisatorische perikelen werd dit uiteindelijk 1985, maar dat werd dan ook een heel mooi toernooi van 13 ronden met een aantal zeer sterke deelnemers. Winnaar werd de Tsjech Jan Smejkal, die de grote favoriet Efim Geller een half puntje voorbleef. Rob reikte met 5 uit 13 tot de tiende plaats, wat voor “een sterke hoofdklasser” een uitstekend resultaat was.

In de clubcompetitie was Rob decennialang een steunpilaar van Watergraafsmeer, eerst in de (gesponsorde) Desisco-tijd, die duurde van begin jaren zeventig tot halverwege de jaren tachtig, daarna weer ‘gewoon’ als Watergraafsmeer, totdat deze roemruchte club ten slotte via een paar fusies opging in Caissa.

Maar bovenal was Rob voor mij een van mijn oudste en meest dierbare vrienden. Midden jaren zeventig, toen ik, vrij en en onverveerd maar eenzaam, in Amsterdam op een zolder woonde, vond ik in het warme, gastvrije huis van Rob en Marga mijn huiskamer. Jarenlang stonden hun deuren voor mij en vele anderen open. Hun huis werd, misschien nog wel meer dan het officïele clublokaal, het eigenlijke hart van de schaakclub Watergraafsmeer. Wij schaakten, analyseerden, praatten en aten, dronken en genoten van onze jeugd. Kortom, het was een heerlijke tijd waarvoor ik Rob en Marga altijd intens dankbaar ben gebleven.

Na 1980 werd ons contact wat minder intensief. Werk en kinderen voor Rob en een altijd om aandacht schreeuwend openingenrepertoire voor mij betekenden het einde van wat je onze studententijd zou kunnen noemen. Maar we troffen elkaar nog geregeld en het was zeker geen toeval dat ik in 2010, zeven jaar nadat ik mijn profcarrière had beëindigd, bij Rob aanklopte met de vraag of Caissa een leuke club voor mij zou zijn. Blijkbaar verlangde ik onbewust terug naar die Watergraafsmeertijd van vroeger en stond Rob voor die tijd symbool.

Het deed pijn om – van een afstandje – de fysieke neergang van mijn oude vriend te volgen in de pakweg zes maanden die achter ons liggen. Op het laatst leek hij er niet veel zin meer in te hebben en het is misschien maar goed dat het einde uiteindelijk toch nog vrij snel kwam. Maar je laat een leegte achter, Rob, en ook jij, Marga. Een leegte in mijn hart.

 

 

 

Van blunder tot hoofdvariant
Een korte beschouwing over dood en wedergeboorte van 7...a6
door
Openingstheorie is altijd in beweging. En niet zo’n beetje ook. Wat vandaag goed is kan morgen verouderd zijn. Wat vandaag wordt afgekeurd kan morgen de grote mode zijn. Iedere schaker weet het en toch worden we er telkens opnieuw door verrast. Voorbeelden hoef ik eigenlijk niet te geven, want iedereen die zich een beetje met openingen bezighoudt kent zulke aardverschuivingen. Nieuwe varianten tegen de opening die je al jaren speelt, waardoor de kennis die je had in één klap overbodig wordt. Nieuwe openingen waartegen je van de grond af een nieuw repertoire moet zien op te bouwen.

Ik noem er toch een paar. Wie zou nog maar enkele jaren geleden de variant 2.Pc3 d6 3.d4 cxd4 4.Dxd4 Pc6 5.Dd2 tegen het Siciliaans niet als een dronkemansopening gezien hebben?

En wie zag tien jaar geleden aankomen dat na 1.d4 d5 het zo onschuldige ogende 2.Lf4 tot een serieuze opening zou uitgroeien? Als je in ‘mijn’ tijd zo’n zet deed, maakte je je meteen bekend als een ongevaarlijke houtjesschuiver.

En – iets verder terug in het verleden – wie zag vijftig jaar geleden aankomen dat het frivole 4…La6 in het Dame-Indisch (1.d4 Pf6 2.c4 e6 3.Pf3 b6 4.g3), een idee van Keres dat aanvankelijk wel ironisch de “uitgegleden loper-variant” werd genoemd, het schijnbaar zo volkomen vanzelfsprekende 4…Lb7 naar de achtergrond zou verdringen?

Zo kan ik nog wel even doorgaan en in feite zou ik met gemak een compleet theorieboek kunnen schrijven enkel over dit soort soms zeer krasse veranderingen in beoordeling die bijna alle openingen in de loop der tijden hebben ondergaan.

 

Maar het meest krasse voorbeeld vind ik toch wel een zet die Aljechin in 1935 tegen Euwe speelde in de twaalfde partij van hun eerste WK-match en die in de loop der tijden is geëvolueerd van grove blunder tot hoofdvariant. Nieuwsgierig? Daar gaan we!

 

Euwe opent met 1.d4 en Aljechin speelt voor de derde keer in de match 1…Pf6 2.c4 g6 3.Pc3 d5, wat toen nog nieuw en experimenteel was en de “Grünfeldvariant van de Oost-Indische verdediging” werd genoemd. Euwe kiest, ook voor de derde keer, 4.Db3, “de zet van Botwinnik”. Het vervolg is 4…dxc4 5.Dxc4. Nu had Aljechin in de tweede matchpartij 5…Le6 6.Db5+ Pc6 gespeeld, wat hem snel in grote moeilijkheden had gebracht. In de vierde partij kregen ze de variant opnieuw en deed Aljechin het gezondere 5…Lg7. Zo ook nu. In de vierde partij had Euwe hierop 6.Lf4 geantwoord, wat min of meer 6…c6 afdwingt, maar verder niet veel presteert. Nu hij de stelling opnieuw op het bord krijgt, kiest Euwe het in onze eenentwintigste-eeuwse ogen ‘normale’ 6.e4, wat hij in zijn analyse achteraf “natuurlijker en ook sterker dan 6.Lf4” noemt. De partij gaat verder met 6…0-0 7.Pf3. Nu doet Aljechin 7…a6, een zet die Euwe in zijn commentaar een vraagteken geeft: “Deze zet is evenals de volgende gebaseerd op een misrekening. Aangewezen was 7…c6, 7…Pbd7 of misschien 7…b6”. Alleen al aan dit ene zinnetje kun je het afgrondelijke verschil in perceptie aflezen tussen de theorie van 1935 en die van nu: geen enkele van de door Euwe genoemde zetten doet tegenwoordig nog ter zake. De ‘moderne’ Grünfeldspeler houdt zich vrijwel uitsluitend bezig met 7…Lg4, 7…Pa6, 7…Pc6, 7…Pfd7 en, jawel, het populairst van allemaal: 7…a6.

Maar voor Euwe is de stelling na 7…a6 nieuw. Hij grijpt terug op zijn reflex uit de vierde partij en valt met 8.Lf4 de pion op c7 aan, denkende hiermee weer 8…c6 (of 8…Pe8) af te dwingen, waarna 7…a6, wat immers ter voorbereiding van b7-b5 is bedoeld, tot een tamelijk overbodige zet zou worden gereduceerd. Maar Aljechin antwoordt 8…b5. Opnieuw geeft Euwe een vraagteken. Ook andere commentatoren van toen keuren de zet sterk af of maken hem zelfs belachelijk. En dat is begrijpelijk als je gezien hebt dat Aljechin na 9.Dxc7 niets beters wist te bedenken dan het tenenkrommende 9…De8 en luttele zetten later (10.Le2 Pc6 11.d5 Pb4 12.0-0) met een wel heel erg incorrect stukoffer (12…Pxe4) aan de noodrem trok, wat hem een kansloze nederlaag opleverde.

Na afloop schijnt Aljechin beweerd te hebben dat hij 9…b4 had voorbereid, maar ‘per ongeluk’ stond zijn a-pion toen hij dit analyseerde niet op a6, maar op a7. In dat geval zou zwart na 10.Pa4 inderdaad gewoon op e4 kunnen slaan. Als dit verhaal klopt (maar dat lijkt me zeer onwaarschijnlijk), zou hij dus pas tijdens de partij, pas nadat hij de zet 7…a6 had uitgevoerd en zelfs pas na 8.Lf4 b5 9.Dxc7 tot de ontdekking zijn gekomen dat zijn a-pion niet op het veld stond waar hij hem had verwacht aan te treffen en dat 9…b4 10.Pa4 Pxe4 11.Pb6 dus catastrofaal zou zijn.

 

Een vreemd verhaal. Maar het allervreemdste is: het is nog niet afgelopen. Want wie nú naar de theorie van deze variant kijkt, ziet A. dat 7…a6 zeer hoog aangeschreven staat en zelfs een naam heeft, Hongaarse variant, B. dat niemand tegenwoordig nog 8.Lf4 speelt, en C. dat áls wit dan toch 8.Lf4 doet, daarvoor het antwoord 8…b5! 9.Dxc7 en nu niet 9…De8? maar 9…Dxc7 10.Lxc7 Lb7 in de boeken staat, met prima compensatie voor de geofferde pion.

 

Van vraagteken naar uitroepteken. Wat is er tussen 1935 en 2022 gebeurd om deze spectaculaire omslag, deze comeback van 7…a6, tot stand te brengen? Het blijkt een verkeerde vraagstelling te zijn. Er wás nooit een omslag, de variant 7…a6 hééft geen comeback gemaakt. Wat er is gebeurd is dat de variant na 1935 dood en begraven was en in 1970 opnieuw geboren werd.

 

Het begon ermee dat de partij Euwe-Aljechin in de theorie werd doodgezwegen, ongetwijfeld omdat de opening zo’n bijna absurd debacle voor Aljechin geweest was. Men voelde wellicht een soort plaatsvervangende gêne voor dit staaltje extreem slechte openingsvoorbereiding van de (toen nog) wereldkampioen. Hoe dan ook, de zet 7…a6 raakte in vergetelheid. Tot in de jaren zestig werd hij zelfs in de meest serieuze openingsboeken (Boleslavsky, Euwe’s eigen twaalfdelige openingenserie) niet eens genoemd! Rond 1970 komt hij dan vrij plotseling weer in beeld doordat enkele jonge Hongaarse spelers (Adorjan, Sax, Ribli) hem beginnen te spelen. En met succes. De variant floreert, krijgt een naam (Hongaarse variant) en groeit uit tot een van de grote hoofdvarianten van het Grünfeld-Indisch. Maar ook in de ‘nieuwe’ theorie vinden we nergens een spoor van wat dus in feite de stampartij is: Euwe-Aljechin (12) 1935. Vreemd als je bedenkt dat er in 1970 toch best nog mensen in leven moeten zijn geweest, die zich die partij hadden kúnnen herinneren, te beginnen met Euwe himself. Het enige wat er in de literatuur na 1970 over 8.Lf4 gezegd wordt is dat zwart na 9…Dxc7 10.Lxc7 Lb7 prachtige compensatie voor de pion heeft, iets wat ook in de praktijk wordt aangetoond, met name in de partijen Balasjov-Barczay, Skopje 1970 en Ivkov-Ree, Wijk aan Zee 1971. Zelfs in het boek van Van der Tak en Sosonko over het Grünfeld-Indisch uit 1979 (in de serie Leer goed schaken van Uitgeverij Andriessen) wordt Euwe-Aljechin niet genoemd. En dat terwijl het toch een partij uit een wereldkampioenschapsmatch was!

Dus omdat zowel Euwe als Aljechin  (én alle andere commentatoren) na de partij te kennen gaven dat 7…a6 slecht was en 8…b5 een blunder ­­– en natuurlijk omdat Aljechin kansloos verloor – is niet alleen de partij, maar de hele variant uit ons collectieve geheugen verdwenen. Toch maakte Aljechin eigenlijk maar één fout, namelijk 9…De8?, een zet die in onze moderne ogen inderdaad niet erg in aanmerking komt als je ziet dat zwart ook 9…Dxc7 10.Lxc7 Lb7 kan doen. Kennelijk zagen Euwe, Aljechin en al die andere kampioenen uit de jaren dertig dat dus niet.

 

Moeten we nu concluderen dat Aljechin zijn tijd zó ver vooruit was dat hij zijn eigen flitsende gedachtengang niet meer kon volgen? Was het genialiteit, vermomd als dwaasheid? Of is dit wat er gebeurt als er even iets misgaat in de machinekamers van de wereldgeschiedenis, als een stukje kennis dat voor 1970 was bedoeld, per ongeluk in 1935 terechtkomt? Wie weet, gebeuren zulke dingen wel voortdurend, maar zonder dat we het in de gaten hebben.

 

Van blunder tot hoofdvariant. “Wat ik speel is theorie” heeft Aljechin ooit gezegd, een uitspraak die heel zijn fenomenale, maar ook aandoenlijk naïeve arrogantie voor ons tentoonspreidt. Ik denk niet dat hij aan deze partij met zijn ‘blunders’ 7…a6 en 8…b5 dacht, toen hij dit zei. Maar hij kreeg gelijk! En de schrijvers van openingsboeken kregen ongelijk. Van zulke grote schakers mag je geen enkele partij veronachtzamen. Wat Aljechin speelt is theorie, ook als hij er kansloos mee verliest.

 

De catalogusremise
Welk nummer zullen we vandaag eens nemen?
door
Ik weet het, ik zou verontwaardigd moeten zijn. Maar ik kan het niet helpen, ik vind het zó ongelofelijk grappig dat nu ook in de Nieuwe Tijd, waarin alles wat oud, langzaam en niet-digitaal was allang weggevaagd leek te zijn, nu toch weer de korte remise opduikt, ook wel salonremise, ook wel grootmeesterremise genoemd. En dat dit meteen precies hetzelfde misbaar losmaakt als ‘vroeger’, in de Oude Tijd, die nog maar zo kort geleden is en die toch slechts weinigen zich kunnen herinneren.

Zelden heb ik zo moeten lachen als toen Radjabov en Nepomniachtchi zondag in de eerste finaleronde van de FTX Crypto Cup in niet meer dan enkele seconden vier ultrakorte remises op het bord smeten, overbekende zettenreeksen die als enige pointe hebben dat ze in een geforceerde zetherhaling uitmonden. Ach, wat was het heerlijk om al die verontwaardigde reacties te lezen en te beseffen dat er niets veranderd is, hoe groot de kloof ook is die er gaapt tussen de Nieuwe en de Oude Tijd. Heerlijke herinneringen borrelden uit mijn geheugen op, bijvoorbeeld aan die conversatie tussen Hans Ree en Robert Hübner tijdens het Hoogovenstoernooi in 1984, waarin ze bespraken hoe handig het zou zijn als er een catalogus van korte remisepartijen bestond, zodat je voorafgaand aan een partij waar je tegenstander en jij allebei geen zin in hadden, enkel tot overeenstemming hoefde te komen “welk nummer we vandaag eens nemen”. Geen taalproblemen, geen misverstanden, alles opgelost met een handig klein boekje dat iedere grootmeester in zijn binnenzak bij zich kan dragen. Ideaal! Zo’n catalogus kan door de jaren heen worden uitgebreid en geactualiseerd en zou tegenwoordig, naast evergreens als Dd1-b3-a4-b3-a4-b3 in de Klassieke variant van het Italiaans, heel wat modieuze nummers uit het Grünfeld-Indisch en de Berlijnse variant van het Spaans bevatten.

Maar het moet gezegd, ook in dit opzicht hebben de topspelers van nu de ‘theorie’ naar een hoger niveau getild. Nieuw is bijvoorbeeld dat ze de catalogusremise tot een belangrijk element van hun matchstrategie hebben gepromoveerd. Vooral Wesley So heeft er een gewoonte van gemaakt om als het écht spannend is zijn witpartijen zonder blikken of blozen in de prullenmand te gooien. Op die manier daagt hij als het ware zijn tegenstander uit: ik pas, wat doe jij? Je zou het niet verwachten, maar onder deze psychologische druk zijn inmiddels al heel wat topspelers bezweken. De catalogusremise als wapen!

Overigens, voor wie de luchtige, niet scherp veroordelende toon die ik hier aansla, te ver vindt gaan: de partij Ree-Hübner, Wijk aan Zee 1984 werd géén korte remise. Ree won in grote stijl. En Radjabov en Nepomniachtchi maakten op de tweede finaledag alles weer goed. De soep wordt nooit zo heet gegeten als hij wordt opgediend.