Clubliefde
door
“Matig”. Voetje voor voetje schuifelden we, onder het voortduwen van de rollator, naar het gereedstaande voertuig; “Matig”, had hij geantwoord op de vraag hoe het ging, maar hij wilde persé.

Iemand die zeventig is, kan altijd nog tachtig worden, en tachtigers worden soms wel negentigers; met honderdjarigen ligt dat wat gevoeliger; “Ik denk bij het wakker worden al enkele jaren niet meer: “Ik ben er weer”, maar: “Ik ben er nóg””, vertelde hij onlangs eens; ik opende de deur van het voertuig en terwijl hij zich met de ene hand aan de deurpost vasthield, liet hij zich, met behulp van zijn arm in de mijne, langzaam ik de autostoel zakken. Onderweg, richting “de club”, reden we door de Beethovenstraat, en om één of andere reden hadden we het over ‘t verzet: “Ach, daar, op gindse hoek, bij de Apollolaan, zijn nog verzetsstrijders gefusilleerd” mompelde hij op het moment dat we langs de winkel van Gideon Italiaander snorden.

We sloegen links af en meteen de eerste weer rechts, de straat in die genoemd werd naar de zeventiende eeuwse glasschilder Jan Gerritszoon van Bronckhorst, op zoek naar een parkeerplek die er, vooralsnog, niet leek te zijn; “De parkeergoden zijn ons niet erg welgezind”, sprak de professor en terwijl het geluid van die woorden wegstierf ontdekte ik aan de rechterzijde, pal naast de ingang van Huize Lydia, een open plek, genoeg plaats om het voertuig, mits door een vaardige hand bestuurd, tussen te wurmen. Terwijl ik daarmee bezig was, vroeg hij: “Krijg je hem daar wel tussen?” en toen ik met aan beide kanten nauwelijks 10 centimeter tussenruimte ertussen stond, sprak hij; “Nou! Dat kun je nóg beter dan schaken”; ik stapte uit, liep naar de rechter zijde, zette de rollator klaar en opende het portier; aan mij arm trachtte hij zich staande op te richten; zijn ogen onder zijn pet vandaan verraadden een inspanning als van een marathonloper; bij een derde poging stond hij overeind en goed genoeg, iets voorovergebogen, om de laatste vijftien meter naar de club af te leggen; wederom voetje voor voetje; voor hem een wereldreis.

Reeds jaren trek ik, bij tijd en wijle, met hem op en ik leerde. Leerde veel van hem, maar leerde ook van zijn steeds voortschrijdende ouderdom: niets is zo ontluisterend als de neergang die de ouderdom teweeg brengt; liep hij eerst nog alleen, daarna met stok, later vroeg hij me om m’n arm, toen kwam de rollator, steeds het laatste, moderne model, dát weer wel, die hij altijd “Mijn Rolls” noemde: nooit verloor hij zijn gevoel voor humor. En ‘t laatste jaar werd het steeds moeilijker, schier onmogelijk, maar met grote inspanning belandde hij uiteindelijk in één van de geriefelijke nissen die de clubzaal rijk is en aldra werd hij begroet oud-wedstrijdleider Frans Oranje (u weet wel; een iemand die zo’n beetje bij het meubilair hoort); nog even later kwam Dik, voormalig collega en oud-voorzitter van de Tweede kamer, Dik Dolman binnen; ik maakte plaats en haalde koffie voor de krasse knapen en alspoedig ontspon zich een ooit begonnen en nog niet beëindigde discussie tussen die twee; politiek in de genen, heet dat, geloof ik.

De avond zou niet worden geschaakt; elke rechtgeaarde vereniging kent zijn jaarvergadering, en deze was die avond: de Professor had er zelf op aangedrongen; hij wilde aanwezig zijn om de naar hem genoemde trofee, de Professor van Hulst-bokaal die te verkrijgen is door schakers die het snelschaaktoernooi op hun naam -en desbetreffende beker- weten te zetten, zelf, eigenhandig aan de winnaar uit te reiken, de winnaar die tegen acht uur binnenkwam.

Nadat de vergadering werd geopend en als punt één de agenda besproken werd, en een minuut stilte werd gehouden voor een pas overleden clublid, kwam punt twee aan de orde: de prijsuitreiking aan spelers van het afgelopen seizoen en als laatste werd de winnaar snelschaken naar voren geroepen. De professor werd met behulp van twee clubleden uit het geriefelijke nisje gehesen en nam op de stoel, voor de bestuurstafel plaats: de winnaar snelschaken stond tegenover hem en toen. Toen volgde een verpletterende toespraak, zonder microfoon en duidelijk verstaanbaar, zonder uh’s en zonder gestotter, geheel uit het hoofd, vol met verborgen humor, met als inhoud dat er tegenwoordig weinig clubliefde meer valt te bespeuren, goede schaker door andere clubs worden weggekocht, maar dat hij, de winnaar, dat toch zeker niet moest doen en de professor rekende er op dat de winnaar zijn voorbeeld zou volgen: meer dan zeventig jaar lid van de vereniging; een record dat guinniss-book-waardig zou moeten zijn, maar daar nog niet is vermeld, aldus de professor die na de toespraak en het overhandigen van de naar hem genoemde trofee samen met de winnaar een enorm applaus in ontvangst mocht nemen.

Niet lang daarna verliet de professor, ondersteund door nog twee andere clubleden, met mij de vergadering en na grote inspanning zat hij weer naast mij in de auto; er naar toe had hij nog tegen de twee andere begeleiders gemompeld: “je ziet het, het gaat niet meer” en onderweg naar huis voelde ik me wat timide.” Nee, ik ben echt te oud nu, je hebt het zelf gezien; ik moet dit niet meer willen” terwijl hij me al eerder vertelde dat een spelletje schaak voor hem eigenlijk ook al te veel is: “Ik zie het niet meer” “Maar niet getreurd”, monterde hij voort “straks kijk ik gewoon weer eens even in de spiegel en glimlach tegen mezelf”. Ondertussen drong het tot mij door; zou het zijn laatste optreden op de club geweest zijn? De laatste keer dat ik hem naar huis zou brengen?
Voor zijn huis, ‘t was al donker en het kostte hem zichtbaar moeite; tot aan de lift; door het ronde patrijspoortje van de liftdeur wisselden we een laatste blik en “Partir c’ est mourir un peu” flitste door mij heen.

Aldus schreef ome Willem. (willemdeschaker.blogspot.com)

Reactie achterlaten