Het geheim van Jan Timman
Van de doden niets dan goeds
door

Ach Jan, wat word je toch van alle kanten doodgeknuffeld, nu je dood bent. Natuurlijk, het is ook wat, jouw overlijden. Wij, achterblijvende schakers worden er diep door geraakt, zeker degenen die min of meer van jouw generatie zijn en dus je hele carrière hebben meebeleefd. Voor jou is het enkel het einde van je leven, maar voor ons is het het einde van een tijdperk. En dat hakt erin. Logisch dus dat we nu massaal onze laatste kans grijpen om je te laten weten hoeveel je voor ons betekend hebt en hoe we je bewonderd hebben. Zo hoort het. En van de doden niets dan goeds natuurlijk.

Maar doen we je eigenlijk wel recht op deze manier? Je was toch meer dan alleen een held, een idool, een mythe? Je was toch ook gewoon een mens? En als het waar is dat er van de levenden zoveel slechts te melden valt (zoals alle media ons iedere dag willen doen geloven), hoe zou dat dan anders kunnen zijn van de doden?

 

Maak je geen zorgen, Jan, ik ga nu echt niet lelijk tegen je doen. Ik ga maar één geheim van je verklappen en dat is er dan nog een van het soort waar je je niet voor hoeft te schamen, iets wat je trouwens, naar ik vermoed, nooit gedaan hebt. Schaamte was jou vreemd. Daarom blunderde je ook nooit, je maakte enkel zo nu en dan een “ergerlijke vergissing”. Dat klonk heel anders en was beter voor je zelfbeeld. Nee, wat ik hier wil toevoegen aan al die huldebetuigingen van de voorbije weken is iets anders. Ik ga het geheim onthullen van je succes.

 

Ik verwacht dat Jans meer militante fans nu even flink zullen steigeren. “Het geheim van zijn succes? Dat was toch zeker zijn fenomenale talent! Wat is daar voor geheimzinnigs aan? Hij stond gewoon ver boven alle andere schakers!” Inderdaad, wat wij talent noemen is natuurlijk de basis. Zonder dat is succes onmogelijk. Maar zoals Willem Elsschot ons al (min of meer) leerde, “tussen talent en succes staan tegenstanders in de weg en praktische bezwaren”. En hoe een mens dáármee omgaat, dát bepaalt de mate van zijn of haar succes.

 

Laten we met die praktische bezwaren beginnen. Een schaker die zijn talent ten volle wil ontwikkelen, moet zich geheel aan het schaken kunnen wijden. Hij moet zijn leven zodanig inrichten dat alles in het teken van die passie staat; er mogen geen storende factoren zijn. Nu zijn er in een mensenleven altijd storende factoren, dus hoe pak je dat aan?

Welnu, dat kan maar op één manier: je moet je mentaal af kunnen sluiten voor alles wat je uit je evenwicht brengt. Dat begint met concentratie natuurlijk, maar het gaat verder dan concentratie, veel verder. En het is dit ‘verder dan’ waar de bewondering van de buitenwereld meestal ophoudt en zelfs in zijn tegendeel verkeert, want ‘verder dan’ is een gebied waar bijna niemand je kan volgen. Ook deze eigenschap, dit vermogen om verder te gaan dan enig ander, noem ik een talent, maar ik begrijp volkomen dat je het ook heel anders kunt noemen. Egocentrisme bijvoorbeeld, of een tekort aan empathie (of op zijn minst belangstelling) voor ‘de ander’. Waarschijnlijk heeft een psycholoog er nog wel een paar krachtiger termen voor. Het is dan ook op dit gebied waar de schaduwkanten van al dit ‘talent’ zichtbaar worden.

 

En dan de tegenstanders. In mentaal opzicht domineerde Jan de meeste van zijn tegenstanders, omdat het in zijn belevingswereld normaal was en zelfs vanzelf sprak dat hij de beste was. Naast zijn talent voor het spel zelf was dát zijn grote kracht, die overigens geheel in het verlengde ligt van dat egocentrisme, of hoe je het ook wilt noemen, waar ik het zojuist over had.

 

Ik heb ruim twintig keer tegen hem gespeeld, voor het eerst in 1975 toen ik negentien was en hij drieëntwintig, voor het laatst in 2013 toen we allebei in onze nadagen nog wat napruttelden in de KNSB-competitie. Zijn enorme kracht, zijn diepe begrip in alle fasen en in alle stellingstypes, kortom zijn talent voor het spel, dát voelde ik meteen vanaf de eerste partij. Maar waar ik me pas heel geleidelijk van bewust werd was dat ándere talent: zijn vermogen om tegenstanders mentaal te domineren, ze weg te drukken, te kleineren. Over het algemeen voel je als schaker tijdens een partij tot op zekere hoogte hoe je tegenstander er mentaal aan toe is. Dit natuurlijk in relatie met hoe je zelf vindt dat het gaat. Als je goed staat en merkt dat je tegenstander dat ook zo ziet geeft die vaststelling je kracht en ga je je steeds beter voelen. En omgekeerd, als je merkt dat je tegenstander in de winning mood is, dan tast je dat aan, of je wil of niet.

Timman nu was altijd in de winning mood. Een partij tegen hem was in dit opzicht vergelijkbaar met een partij tegen een computer. Zo’n apparaat geeft je geen mentale feedback en voor een mens is dat lastig. Je gaat aan jezelf twijfelen en je mist die extra energie die een langzaam afbrokkelende tegenstander je kan geven. Je moet, zou je kunnen zeggen, alles helemaal zelf doen. En dat was precies het effect wat Jan Timman op je had. Als je goed stond, gaf hij je daar geen enkele bevestiging van, ook niet na afloop trouwens en zelfs niet als je gewonnen had. Hij gaf je geen enkele vorm van erkenning, nooit. In zekere zin was het dan ook gemakkelijker spelen tegen hem als je slecht stond, want daar had je geen bevestiging voor nodig. Dan was het gewoon vechten voor je leven en deed de houding van degene die tegenover je zat niet ter zake. Grappig genoeg ben ik dan ook succesvoller tegen hem geweest in slechte dan in goede stellingen.

 

Ik denk dat je deze heel specifieke mentale kracht van Jan zelfvertrouwen moet noemen. Dit woord heeft over het algemeen een positieve connotatie, want we denken dan aan een gezond zelfvertrouwen, een eigenschap waaraan je steun hebt in je leven. Maar bij Jan ging het zelfvertrouwen veel verder. Het was een allesoverheersend, een met absolute zekerheid weten dat hij de beste was. Zoiets werkt alleen als je er zelf in gelooft. En Timman geloofde erin. “Ik ben Jan Timman, dus ik sta beter”, dát was zijn houding en dat straalde hij uit. Van dit unieke type zelfvertrouwen heb ik de meest verbluffende staaltjes meegemaakt, zowel in onderlinge partijen als in partijen waarvan ik getuige was. Wat hij niet allemaal durfde te beweren! Hij had daarbij het geluk dat zijn beste tijd ruim vóór de tijd van de engines was. Mensen waren vrijwel nooit in staat om hem te corrigeren. “Maar wat doe je dan hierop, Jan?” werd eenvoudig beantwoord met “Nou, dit natuurlijk” en vervolgens veranderde een analyse of een gesprek in een nieuwe partij, die hij dan óók weer won. In schaaktechnisch opzicht leerde je veel van hem, maar je eigen zelfvertrouwen werd er telkens opnieuw door gekraakt. (Wat trouwens voor een ‘gewoon mens’ helemaal niet verkeerd is, maar dit terzijde.) Bobby Fischer, die dit zelfvertrouwen in misschien wel nóg hogere mate had, was hier heel open over. In een beroemd geworden tv-interview zei hij ooit, breed lachend: “the greatest pleasure in a game of chess is the moment when you break his ego”. Deze uitspraak, ontwapenend wreed en eerlijk tegelijk, van misschien wel de grootste schaker en zeker de grootste egovernietiger aller tijden, zegt ook iets over Jan Timman. Met deze overgrote vorm van zelfvertrouwen zet je jezelf in feite buiten – of in je eigen beleving waarschijnlijk boven ­– de samenleving. Je creëert een mythe, je wórdt een mythe.

 

Het is een open geheim wat ik hier heb ‘onthuld’, want diep in ons hart weten we allemaal dat het zo werkt. Geen mens is in staat tot buitengewone prestaties als hij of zij niet over een buitengewone karakterstructuur beschikt. Het is ook geen onthulling waar iemand iets aan heeft, want navolging is onmogelijk. Je kunt je karakter niet omvormen tot dat van een Fischer of een Timman. En misschien is het sowieso wel allemaal onzin wat ik beweer. Zou het niet zo kunnen zijn dat een buitengewoon talent zélf het karakter van de mens waarin het terechtgekomen is, naar zijn wensen vormt, zonder dat die mens het in de gaten heeft? Wie weet?

 

Vaarwel, Jan. Je leven eindigt, maar je mythe blijft. En daar gaat het om.

 

  1. Albert Riemens

    Albert Riemens zei op :

    Mooi inzicht Paul, vermoedelijk gaat het om een generiek verschijnsel bij de aller besten. Je weet/denkt dat je beter bent qua schaakinzicht, ziet meer, straalt dat aan alle kanten uit dus ga je door en is de kans groot om te winnen. Een belangrijk psychologisch voordeel. Ook al is Jan er niet meer om dit te beamen, we kunnen er zeker wat van leren. Nu nog dat talent er bij en het plaatje is compleet….;-).

Reactie achterlaten