Schaakles? Beter laat dan nooit!
Teleac cursus Schaken 1969
door
Goed artikel dat interview met Paul van der Sterren op Schaaksite.nl Wat me aanspreekt in dat interview is de beschouwende toon van een oudere schaker die terugkijkt op zijn schaak carrière.

Paul laat het schaken nu een andere rol spelen in zijn leven, dan toen hij jonger was en hogerop wilde. Daar spreekt een wijze. Mooi om te lezen. Lijkt me fijn als je dat lukt op die manier. Er zit een natuurlijk verloop in van groei en ontwikkeling naar bezinning en rust.

 

Bij mij zit het heel anders.  Ik weet niet precies waarom, maar ik heb tot het lezen van dit interview met Paul van der Sterren, altijd de stille hoop gehad dat ik nog beter zou kunnen worden met schaken. Nu ik in dat interview lees, dat je als schaker eigenlijk alleen maar slechter wordt zo vanaf je 40e jaar, beschouw ik mijn ambitie om beter te gaan schaken als tamelijk bizar. Eigenlijk wist ik dat natuurlijk al en misschien moet ik die ambitie om ooit beter te worden maar laten varen. Maar ik zal proberen uit te leggen hoe ik daarbij kom.

 

Om te beginnen moet ik iets bekennen: ik heb nog nooit les in schaken gehad!

In mijn familie werd niet geschaakt. In 1969 heb ik het schaken geleerd via de Teleac cursus Schaken op TV. Dat was nog in zwart-wit. Zie de foto. Toen was ik 12 jaar en zat ik alleen voor de TV met een schaakbord.

 

Vervolgens werd ik gegrepen door het spel en werd ik lid van de schaakclub in Zandvoort. Een kleine dorpsclub. De eerste drie jaar werd ik meteen kampioen bij de jeugd. Er was wel een vriendelijk oudere heer, die de jeugd lesgaf, maar daar won ik meteen al van. Die Stappenmethode was er toen nog niet. Daarna werd ik clubkampioen bij de senioren. Toen dacht dat ik het wel kon. Het boek geschreven door Lex Jongsma over de Fischer-Spasski match 1972 leende ik bij de bibliotheek.

 

In 1978 moest ik in militaire dienst en kwam ervan schaken of welke intellectuele uitdaging dan ook, niets meer terecht. Daarna ging ik studeren in Amsterdam en werd ik lid van Nieuw West. Leuke club in een café bij de Wiegbrug in Oud West. Daar was ik zo’n beetje de zwakste van de club. Dat was even wennen. Die club ging samen met DOS in Buitenveldert. Dat was een mooie tijd. Alleen vond ik het schaken lastig te combineren met mijn werk als arts. Overdag moest ik al zoveel nadenken, al die patiënten die hun ellende over je uitstorten. Vermoeiend. Dan vond ik het wel fijn om ‘s avonds te vluchten uit de realiteit en me over te geven aan het schaken. Maar zo’n partij werkt door in je hoofd en die kreeg ik er dan ’s ochtend niet meteen weer uit. Eigenlijk was ik dan te chagrijnig om fris m’n spreekuur in te gaan. Daarom besloot ik om te stoppen met schaken. Maar ik nam me voor om er ooit eens serieus werk van te maken. Als ik met pensioen ben, dacht ik er dan bij. Met het vervelende gevoel dat ik er eigenlijk nooit uitgehaald heb, wat erin zou kunnen zitten.

 

Ondertussen hield mijn club DOS er mee op. En ik kreeg via mijn werk de kans een promotieonderzoek te doen. Je onderdompelen in de onderzoekswereld is ook een soort vlucht uit de maatschappij. Voelde mij wel thuis tussen die wetenschappers. Inmiddels was ik 50 jaar. Dat onderzoek was een flinke klus naast mijn werk en gezinsleven. Schaken kon er even niet bij. Toen dacht ik, als ik gepromoveerd ben ga ik weer schaken. En zo is het gegaan. Zo ben ik lid geworden bij Caïssa. Maar ik heb nog steeds geen schaak les gehad. Ik doe maar wat achter dat bord. Intuïtieve speler, noemen ze dat. En daarom denk ik stiekem, dat ik nog beter kan worden, al ben ik inmiddels 64. Dat Caïssa nu schaakles online aanbiedt komt voor mij als geroepen.

 

 

Vechten tegen de beer
Simultaan uit de oude doos (deel 2)
door
Het zal wel door de Coronapandemie komen, dat ik met enige weemoed terugdenk aan mijn schaakverleden. Dat simultaangebeuren is toch iets opmerkelijks. Andere sporten kennen dat niet. Dat je je echt kan meten met een topper. Ooit mocht ik tennissen tegen het duo Paul Haarhuis en Jacco Elting, maar dat was een “clinic”. Ze slaan de ballen zo, dat je er net nog bij kan. En dan krijg je tips, hoe je je spel kunt verbeteren. Bij schaken doen ze dat anders. Je wordt niet gespaard. Ergens mag ik dat wel. Meestal vindt een simultaan plaats vanwege een evenement of een jubileum van de club. Dan komt het bestuur bijeen, en roept er iemand: “laten we die of die uitnodigen voor een simultaan.” “Ja, dat is een goed idee”. “Wie kent een geschikte kandidaat hiervoor?” Er ontstaat een discussie, en uiteindelijk wordt er via via een grootmeester gevonden, die dat wel wil doen. En dan is het zover; de grootmeester bezoekt de club, schudt wat handen met de mensen die hij kent, hij krijgt meteen koffie, en het feest kan beginnen. Het ultieme clubgevoel. De sfeer is een beetje lacherig, maar ook competatief. Het is als vechten tegen de beer. Met zijn allen tegen één. Wie houdt het langste vol? En nog belangrijker: je wilt niet als eerste eruit vliegen. Dan ben je ten overstaan van de hele club de loser. Er zit ook een andere kant aan zo’n simultaan. Iets wat je bijna masochistisch zou kunnen noemen. Die gast is natuurlijk veel sterker dan jij. Zit je te wachten totdat hij langskomt. Shit, daar is hij alweer. Euhh wat zou ik ook alweer zetten? En dan moet je meteen je zet doen. Hij staat, jij zit. Hij kijkt letterlijk op je neer. Het maximale dat je kunt bereiken, is dat je wint natuurlijk of in mijn geval, dat je wat van zijn tijd of aandacht afsnoept. Kijk, bij die clubgenoot blijft de grootmeester opeens staan, hij leunt met beide armen op de tafel. Hij moet zeker nadenken over de stelling! Wat knap van die clubgenoot. Bij mijn bord aangekomen hoeft de grootmeester zijn pas niet in te houden. Hij heeft amper naar mijn bord gekeken. Hij is eigenlijk al bij het volgende bord. Hij zal me toch niet overslaan? Achteloos steekt hij z’n arm uit en schudt een kracht zet uit zijn mouw, zonder mij een blik waardig te gunnen. Daar zit je dan. Het was op 26-9-1976, dat de Zandvoortse Schaakclub, waar ik toen lid van was, het 50-jarig jubileum vierde. U raadt het al; ter ere van die gelegenheid werd er een simultaan georganiseerd. Jan Timman was de grootmeester die bij ons op de club kwam. Nu zou ik u graag die partij willen laten zien. Helaas, daar kan ik de notatie niet van vinden, of die heb ik nooit gemaakt. Maar ik heb nog herinneringen aan dat evenement. Die kan ik u wel meegeven. Ik had een strijdplan voor deze gelegenheid klaarliggen. Kom maar op met die beer! Mijn plan was als volgt: ik zou geheel tegen mijn natuur in, rustig gaan spelen. Geen slimme dingen verzinnen, niet aanvallen, rustig blijven. De stukken op de juiste velden zetten, laten samenwerken en alles achterin dicht houden. En als ik het niet meer weet, zou ik een veilig profylactisch pionzetje doen. De tactiek van de egel. Zo speelde Ulf Andersen het in die tijd met succes. Zo zou ik het het langste kunnen volhouden. Tja, zo ging het dus niet. Timman kreeg alle ruimte en dirigeerde in no time zijn zware stukken richting mijn koning, terwijl ik profylactisch aan het pielen was op de damevleugel. En toen verscheen er opeens een wit paard op F5. Drie zetten later kon ik opgeven. De egel werd simpel platgetrapt door de beer. Maar ja, ik ben Ulf ook niet.
Viktor Kortsnoj – Feico Zwerver 1978
Simultaan uit de oude doos
door
Dat oude notatieverslag van Willem Grünbauer (zie vorig artikel) bracht me op een idee. Ergens in een oude boekenkast in mijn garage moest ik nog al mijn schaaknotitieboekjes uit mijn jeugd hebben liggen. Zou daar niet iets leuks in kunnen zitten? Toen bedacht ik mij dat ik ooit een simultaan heb gespeeld tegen Miguel Najdorf. Zou toch mooi zijn als ik die partij kon vinden. Ik weet nog dat het in Wijk aan Zee was. Die Najdorf bleek een heel rustige vriendelijke oude heer te zijn. Verassend klein van stuk was hij ook. Een heel onopvallende man eigenlijk. Hij had m'n opa kunnen zijn. In mijn beleving van toen waren grootmeesters buitengewone mensen. Niets daarvan, totdat hij weer voor mijn bord stond en ik bloednerveus ten onder ging. Die partij kon ik dus niet vinden. Misschien heb ik die niet eens genoteerd!? Maar wat ik wel tegen kwam was een simultaanpartij tegen Viktor Kortsnoj, gespeeld op 27 januari 1978 in IJmuiden. Toen was ik 21 jaar. Viktor vond ik wel een echte grootmeester. Daar werd je bang van. Die man keek je aan over het bord en je kromp ineen tot een miserabel hoopje ellende. Ik wist nog net een aantal zetten uit het Frans op het bord te krijgen. Dat leek me wel een aardig gebaar naar hem omdat Viktor dat in die tijd zelf ook veel speelde. Bij zet 24 gaf ik het op. Speelt u maar na...