Maurice Aué overleden
Enigmatische schaakvriend
door
Gisteren bereikte het Caissabestuur het droevige bericht dat Maurice Aué, een van onze oudste clubleden, is overleden. Maurice werd ongeveer driekwart jaar geleden voor het laatst in huize Lydia gesignaleerd en sindsdien is het zijn schaakvrienden niet meer gelukt om contact met hem te krijgen. Gisteren vernam Willem Grünbauer bij monde van de zoon van Maurice dat zijn vader zes weken geleden is gestorven. Het is ons niet bekend wat de doodsoorzaak was, noch hoe er afscheid van hem genomen is.

Maurice Aué was niet scheutig met informatie over zijn privéleven. Slechts enkelen wisten zijn adres en telefoonnummer, maar desondanks was hij ook voor hen meestal niet bereikbaar. Toch was hij een echte clubman en zeer gehecht aan de andere langjarige leden. Hij was een regelmatig bezoeker van de Laurierboom op de zondagmiddag in de tijd dat Tony Lith, Pim Zonjee, Eddy Leuw, Jeroen Hoogenboom en Leo Oomens daar hun wekelijkse schaaksessies hielden. Hij heeft in samenwerking met Willem ons clubicoon Johan van Hulst in de laatste fase van diens leven naar huize Lydia vervoerd en hem regelmatig in zijn woning bezocht toen dat niet meer kon. ‘De professor’, noemde hij ons erelid liefkozend.
Maurice was sinds de jaren zeventig elke week nadrukkelijk aanwezig op de clubavond. Toen ik halverwege de jaren tachtig mijn eerste interne wedstrijd bij Caissa speelde, was het tegen Maurice. Hij had snel door dat ik een groentje was. In het middenspel liep hij zomaar weg van het bord terwijl hij zelf aan zet was. Het kostte me een halfuur om te ontdekken dat ik was vergeten mijn klok in te drukken. Toen hij terugkwam bij het bord heb ik hem verteld dat hij een naar mannetje was en het speellokaal verlaten om er niet meer terug te keren. Toen ik in 2001, gevleid door de uitnodiging voor een lustrumviering, opnieuw bij Caissa binnenliep, was hij het die met een uitgestoken hand en een twinkeling in zijn ogen op mij afkwam: ’Ben je nog boos?’.
We werden goede maatjes, maar ik mocht niets van hem weten. Het meest persoonlijke dat ik met hem heb beleefd, was dat wij samen met Les Gebhard bij Jeroen Hoogenboom thuis deelnamen aan een schaaksoirée. Ik heb hem een plezier kunnen doen met een geremasterde opname van ‘Kind of blue’. Hij dronk geen alcohol. Hij kreeg een wond aan zijn oor die niet wilde helen. Ik mocht geen foto’s van hem maken en was hem daarin ter wille. Kennelijk wist Jeroen niet van die nadrukkelijke wens, getuige dit snapshot van zijn hand uit 2010.
Vorig jaar verraste Maurice me met de vraag wat ik er van zou vinden als hij zijn lidmaatschap opzegde. Ik verbood het hem. Hij moest lachen. Daarna kwam hij nog een maand of drie, de wond aan zijn oor bedekt met een verband dat me deed denken aan het beroemde schilderij van Van Gogh. En toen was hij opeens vertrokken naar de eeuwige jachtvelden.

  1. Jeroen Hoogenboom

    Jeroen Hoogenboom zei op :

    Rust in vrede, Aué.

    (Hij was een van die mensen die altijd met hun achternaam worden aangesproken. Bij toeval versprak Peter Rijke zich een keer en noemde hem toen Maurice.)

  2. Jaap van Velzen

    Jaap van Velzen zei op :

    Maurice ken ik al zo’n 25 jaar en is vrij onverwacht snel uit ons midden verdwenen. Mijn gedachten gaan terug in de tijd.Ergens rond het jaar 1994 zag ik Maurice voor het eerst in dat zaaltje naast de Oranjekerk. Hij droeg zijn haar met een kort staartje gebonden met een strikje. Het viel al meteen op dat hij anders was. Hij was erg gevat en snel met zijn reacties. Je kon hem van alles vragen maar hij wilde geen millimeter vertellen over zich zelf. Sterker nog, je mocht hem absoluut niet fotograferen. Hij dook dan weg of hield beiden handen voor zijn gezicht.  Het was in de tijd dat bij het schaken alle klokken tikten, wat voor een oorverdovend lawaai in het zaaltje zorgde. In die tijd werd er ook heftig gerookt wat resulteerde in een constant aanwezige grijsblauwe damp. Maurice rookte niet en hij en ik probeerden samen Wim Suyderhout er van te weerhouden een van zijn bolknakkers op te steken. Te vergeefs natuurlijk. Maurice wuifde dan demonstratief de sigaren rook weg, waarop Wim meestal reageerde met nog een extra wolkje over de stelling te blazen. Maurice had een goed gevoel voor humor, maar over zijn bezigheden praten was niet mogelijk. Ik heb hem vaak gevraagd wat voor werk hij deed en hij antwoorden dan; ik heb schepen op zee! Je hoefde niet door te vragen, dan volgde altijd een of ander grapje maar je werd er niet wijzer van. Hij lachte dan besmuikt en genoot van al die aandacht. Andere Caïssa leden wisten ook niet waar hij zich mee bezig hield. Men giste maar wat waardoor allerlei ideeën over hem ontstonden  ; door de tijd heen heb ik verschillende beroepen horen noemen, dat varieert van timmerman, dansleraar, geheim agent, verzorger van weeskinderen, actief in de joodse gemeenschap, etc. Niemand wist het, wat een mistig onduidelijk beeld gaf over zijn privé leven. Het bleef allemaal heel vaag. Laten we maar gaan schaken zei hij dan en lachte alle vragen weg.Het dichts bij zijn persoon kwam ik bij het praten over magie. Een onderwerp waar hij zelf serieus mee bezig was. Hij vertelde mij dat hij onverklaarbare impulsen volgde. Op een blauwe maandag belde hij mij op en zei zonder enige aanleiding dat ik binnenkort veel met ziekenhuizen te maken zou krijgen. Een maand later heb ik met mijn eega samen nog nooit van mijn leven zo vaak het ziekenhuis moeten bezoeken. Een hoogst merkwaardige gebeurtenis.  Maurice later gevraagd waarom hij mij van te voren hierover gebeld had. Zijn antwoord was; Geen idee!!Maurice was een hele bijzondere man, aardig en voorkomend, altijd berijdt je te helpen of je naar huis te rijden of wat dan ook.Ik mis hem. Weer een stukje humor verdwenen, jammer. Hij leeft nog door in mijn hoofd.  Zijn dood  is een gemis voor Caïssa. 
    Jaap van Velzen

Reactie achterlaten