In herinnering
aan Maurice en Frans
door
Enkele pennenstreken

….Zes weken geleden…; zo sprak de stem aan gene zijde van de telefoon.

Overrompeld was ik. en verbijsterd, terwijl ik toch wel een vaag vermoeden had.

“Zes weken geleden”, zo dacht ik; “dat moet dan vóór Frans zijn” .

Hoe oud zal ik zelf zijn geweest; nog geen dertig of wellicht nét, maar in die jaren heb ik ze zien binnenkomen: Leo Oomens, Maurice Aué, en, even daarvoor, Frans Oranje en Pim, Pim Zonjee, stuk voor stuk markante schakers.  Nee, geen hoogvliegers, maar welzeker liefhebbers die jarenlang hun gezichten en schaakcapriolen op de dinsdagavonden hebben laten zien  en zoals het de mens vergaat; twee van hen zijn al een tijd niet meer onder ons.  Dat dan in de zomer van 2019 Caïssa nóg twee leden uit die reeds vervlogen tijd zou kunnen verliezen! Oh droevig lot!

Frans, altijd vriendelijk, een beetje verstrooid en een lange tijd waardige opvolger geweest van “meester” Eijgenbrood.  Bij onregelmatigheden een cynisch lachje en soms wat aparte humor.  Zo reden we eens in mijn oude eend naar één of andere wedstrijd.  Tegen de tocht had ik een klapraampje dichtgeplakt met plakband dat door een teisterende regenbui los dreigde te laten en Frans merkte daarover op dat “de verpakking losliet”,  suggererend dat we met een splinternieuw voertuig onderweg waren.  Pennenstreken, zomaar, opwellende herinneringen terwijl achter de ogen van Frans altijd de melancholiek schuilging; een paradijsherinnering uit de tijd dat hij geboren werd op het eiland Sumatra vermengt met zijn verblijf als kind in een zogenoemd Jappenkamp.

(Frans in de jaren ’80 als wedstrijdleider)

En dan Maurice die in de beginjaren op de club kwam vergezeld met ene Rijke wiens voornaam mij al lange tijd is ontschoten.  Maurice Aué, glimlachend, zo ongeveer alle vragen ontwijkend.  Zeker een stuk of vijf partijen uit die jaren blijken door mij tegen hem te zijn opgetekend, maar zoals altijd onnauwkeurig zodat ik ze niet meer weet na te spelen.  Later, héél veel later, kregen we een band, niet in de laatste plaats omdat we beiden “de professor” van en naar de club brachten; eerst nog naar het Oranjehuis, later het Afrikahuis en op ‘t laatst naar huize Lydia.  In die tijd ontdekte ik -bij Maurice moest je alles ontdekken-  dat Maurice  Joods leefde zonder dat hij mij vertelde dat hij Joods wás.  Het mysterie bleef als een aura om Aue hangen; we aten enkele keren een kosher broodje bij Sal Meijer en vanaf vrijdagavond kon ik hem niet meer bellen.

Nog niet zo lang geleden toefde ik in ‘t Ertsgebergte en snorde door het dorpje Aue terwijl ik regelmatig te Kassel langs een groot stadion kwam dat zijn naam draagt; soms waagde ik een poging en vroeg naar zijn wellicht Duitse “roots”, maar ook daar kwamen antwoorden op die deden denken aan Zimmerman’s hard rains a gonna fall.

Het was voor de zomer; eerst bezocht ik Frans te Ede en trof een oude, bejaarde man aan die net De Trouw van beneden had gehaald: “Die lees ik al mijn  hele leven” sprak hij nog opgewekt, hij en ik niet wetende dat het één van zijn laatste edities zou worden.

En diezelfde week belde ik Maurice; “Ja, het gaat niet zo goed met me” “Wat is er dan, ouwe reus”, vroeg ik  “Ja, dat hoor je nog wel” antwoordde hij, “daar kan ik nu niet over spreken” Ach, ik was eraan gewend.  En tot slot “Als  het wat beter met me gaat, gaan we meteen een broodje halen bij Meijer, ik betaal!”.

Het is er nooit van gekomen.  Wekenlang “tikte” ik zijn nummer en kreeg steeds die damesstem “Met Maurice, spreek u naam en nummer en en ik bel u zo spoedig mogelijk terug”.  Tot afgelopen dinsdag, toen een donkere mannenstem zich meldde met Aué.

Toch waagde ik een poging: “Met Maurice?” “Oh, je wil me vader zeker hebben” sprak de stem aan gene zijde “Die is dood!”

“Doo… Overleden?” vroeg ik stomverbaasd.

“Ja, dood, zes weken geleden” .

Opeens werd ik bevangen door een lichte duizel: “Gelijk een bloem” dacht ik, “Gelijk een bloem is ons kortstondig leven”  en Maurice, zoals hij leefde lijkt hij te zijn gestorven.

(Maurice *5706 – 5779* tijdens een zondagmiddag in de Lauerierboom)

 

Ook zijn heengaan blijft in ‘t mysterie gehuld.

Hoe fijn was het toch te schaken met die verstrooide Frans en wat een onnozele partijen speelde we met Maurice; zo kort geleden nog en thans, opeens, weg, verdwenen, weggewist achter de horizon van het broze bestaan.

Na zovele jaren; in één maand twee leden.

Droeftranen wellen op; geen woorden meer dan louter vaarwel.

Willem

  1. Jaap Tanja

    Jaap Tanja zei op :

    Dank Willem! Inderdaad: twee karakteristieke oudgedienden op de club. Maurice, altijd joviaal, maar ook malicieus, achterdochtig en gesloten, op het geheimzinnige af. Altijd met een piepklein stompje potlood de zetten noterend. Frans, opgewekt en warrig, soms een echte flapuit. Bij winst of verlies: port! Caissa is een beetje armer zonder hen.

  2. Anneke Wiggelendam

    Anneke Wiggelendam zei op :

    Willem, Je hebt een heel gevoelig memoriam geschreven over Maurice en Frans.
    Met de benodigde komische en tragische nuances.
    Maurice ken ik van een zekere afstand. Hij glimlachte altijd wat aarzelend naar me. En er volgde een enkele keer een kortstondig gesprekje. Het leek alsof hij op de vlucht was.
    Frans heb ik in zijn laatste maanden beter leren kennen. Ben met Mirjam een keer bij hem thuis op de wallen geweest. Een goede gastheer! Praten, een beetje, maar zo snel mogelijk schaken.
    Toen hij in de VU revalideerde heb ik hem ook een paar keer opgezocht.
    Als ik binnen kwam, zat hij zelfs al achter zijn bord.
    Ik vind de foto in je stuk ontroerend. Ook mijn dank.

Reactie achterlaten